Eén uitvinding, en drie miljard rijker

Een mythe bouwen waar de beurs in geloofde. Het farmaceutische bedrijf Crucell deed het, met succes, ook dankzij een unieke uitvinding. Een jongensboek, gebaseerd op gesprekken met betrokkenen.

In het farmaceutisch bedrijf Crucell schuilt een van de meest aansprekende Nederlandse succesverhalen: dat van een moleculair bioloog die met zijn team op een dag – enigszins per ongeluk – een belangrijke ontdekking doet. In de jaren die volgen haalt hij er miljarden euro’s mee op. Het is een verhaal dat begint in een laboratorium op een bedrijventerrein in Leiden en dat eindigt in New York, met tientallen dealmakers aan een grote onderhandelingstafel.

In gesprekken over de waarde van wetenschap en het succesvol uitbaten van uitvindingen wordt altijd zo’n voorbeeld aangehaald. Het houdt een horde jonge, slimme en zwoegende uitvinders op de been, die in anonieme universiteitskamers en in laboratoria van beginnende bedrijfjes hun experimenten uitvoeren. Eens moet het hen toch ook lukken die ene briljante vondst te verzilveren.

Die hoopvolle wetenschappers kunnen het boek De rebellen van Crucell van Mark Blaisse, journalist en voormalig hoofdredacteur van zakenblad Quote, wellicht beter niet lezen. Het laat vooral zien hoe uitzonderlijk het is dat een nieuw farmaceutisch bedrijf ooit de eindstreep haalt.

Foetus

Het succes van Crucell is gebaseerd op een enkele gezonde cel die een wetenschapper in de jaren tachtig uit het netvlies van een geaborteerde foetus isoleert en waarvan het bedrijf in de jaren negentig een cellijn produceert die op industriële schaal kan worden gebruikt voor het maken van vaccins. Het bedrijf is naar die cruciale cel vernoemd.

De cellijn is de eerste, maar zal ook de enige grote en tastbare uitvinding blijven die het bedrijf in al die jaren weet te produceren. Aandeelhouders worden in de tussenliggende periode met mooie verhalen en beloften gerustgesteld. Diverse malen gaat het bedrijf bijna failliet en is het volgens de schrijver het enthousiasme van de bestuurders die investeerders op het juiste moment geïnteresseerd houdt.

De rebellen van Crucell is geschreven als een jongensboek, met uitbundige aandacht voor de dure bolides van de bestuurders, de rituele drankgelagen die ze houden op de avonden vóór belangrijke deals moeten worden gesloten en voor exotische bedrijfsuitjes als een scooterrace op Lapland – ook als de zaken er minder goed voor staan. Het bedrijf moet het lange tijd vooral hebben van inkomsten uit licenties, partnerovereenkomsten en van overheidssteun. Pas in 2011 stroomt het geld echt binnen, als de Amerikaanse multinational Johnson & Johnson het bedrijf voor drie miljard euro overneemt. Zelfs de van huis uit gereformeerde president-commissaris van het bedrijf wordt door het exorbitante luxe-virus aangestoken en koopt na zijn pensioen een Rolls Royce van ruim vier ton.

Blaisses boek lijkt bijna uitsluitend te zijn gebaseerd op de gesprekken die de auteur voerde met de betrokkenen. Ze wilden hun kant van de zaak graag vertellen, enkelen hopen dat het wordt verfilmd.

Het levert sterke verhalen van binnenuit op, die soms wel stevigere tegenspraak hadden kunnen gebruiken: bijvoorbeeld als de financieel directeur ‘stout’ wordt genoemd omdat hij ‘meer dan eens’ op het politiebureau wordt vastgehouden. Of als de Crucell-directeur Artsen zonder Grenzen de schuld geeft van falende hulp bij de cholera-uitbraak in Haïti na de aardbeving in 2010. De hulporganisatie krijgt in het boek geen weerwoord geboden. Het farmaceutisch bedrijf zou in die tijd 200.000 gratis doses choleravaccins hebben aangeboden, wat door de hulpverleners zou zijn geweigerd omdat zij de directeuren ‘geen succes gunnen’.

Wat stoort is dat met name in de eerste helft van De rebellen van Crucell veel namen van personen, therapieën en bedrijven vallen die amper worden beschreven of verklaard, zodat de geschiedenis daar moeilijk is te volgen: ‘De minder efficiënte retrovirussen konden eindelijk vervangen worden door adenovirussen met daarnaast een betrouwbare cellijn.’

Toch is het boek de moeite waard omdat het een unieke inkijk geeft in een bijzonder Nederlands bedrijf, en in de wereld van de biotechnologie. Door de strenge kwaliteitseisen die aan geneesmiddelen en therapieën worden gesteld, duurt het jaren voor ze in de apotheek terechtkomen. De kans dat een product het niet haalt is ruim negentig procent.

Beloften

Crucell verdient lang geld aan het vooruitzicht dat het ooit vaccins zal ontwikkelen. Het is daarom na het lezen van het boek niet moeilijk je voor te stellen dat ook bij andere, vergelijkbare firma’s, beloften, hoop en toeval voor een groot deel het succes bepalen, meer dan in andere sectoren. De enthousiaste verhalen die de directeuren van Crucell hun investeerders voorhouden over veelbelovende producten, lijken op de rand te balanceren van wat een beursgenoteerd bedrijf zich aan vrijheden kan veroorloven. Volgens de schrijver weet het bedrijf een ‘mythe’ te bouwen waar de beurs in ‘geloofde’.

Pikant is nog de afwezigheid van president Hans Clevers van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, die in de media geldt als oprichter van het bedrijf, maar in dit boek nauwelijks voorkomt. Crucell ontstaat in 2000 uit een fusie van twee bedrijven en dit boek is het verhaal vanuit het bedrijf waarvan Clevers geen eigenaar was.