Een piepklein duwtje

Nog maar een paar minuten en dan is mijn persoonlijk record wéér aangescherpt. Zeventien wedstrijden lang is iedereen van me afgebleven. Dat waren ruim anderhalf duizend speelminuten zonder een vuist in m’n gezicht, een knietje in m’n rug of een schop in m’n buik. Als deze tweeëntwintig spelers nog heel even lief voor me blijven, heb ik straks achttien wedstrijden achter elkaar tot een goed einde gebracht zonder op welke manier dan ook fysiek te zijn belaagd.

De speler van het uitteam met rugnummer elf raakt de bal én zijn directe tegenstander. Ik fluit, hij begint te gillen. „Néééééé! Nee-nee-nee scheids! Dat was de bal!” Hij kijkt me met wijd opengesperde ogen aan en maakt met twee handen een balgebaar, zoals voetballers op tv dat ook vaak doen.

„En de man”, zeg ik, terwijl ik de gele kaart uit mijn borstzak haal.

„Ik raak ’m toch niet?”

Rugnummer elf begint bijna te huilen en krijgt bijval van zijn ploeggenoten. Plotseling zijn een stuk of zeven, acht volwassen mannen heel erg boos op mij. Ik stond dicht op de situatie, maar zij hebben het beter gezien. Het was de bal. Niet de man. Ze weten het allemaal zeker.

Het groepje spelers komt woedend op me af, nummer elf voorop. Ik heb de gele kaart nog niet de lucht in gestoken, maar ze zouden toch moeten weten dat de kans verdomd klein is dat ik nu nog op andere gedachten te brengen ben.

„Waar ben je nou mee bezig, scheids!”

„Scheids, dit is zó kansloos!”

„Je ziet het wéér niet, scheids!”

De sfeer wordt steeds dreigender. Met de kaart in mijn hand doe ik een paar stappen naar achteren. Ik wil niemand in mijn rug hebben en probeer tegelijkertijd de spelers voor me op afstand houden. Nummer elf – zie ik nou werkelijk een traan? – heeft er geen boodschap aan. Hij doet nog een stap naar voren, ik doe nog een stap naar achteren.

„Zeg dan wat je gezien hebt!”, schreeuwt hij verongelijkt. „Zeg het dan!”

Ik leg nog een keer kort en bondig uit dat het een onbesuisde tackle was. Onbesuisd is scheidsrechtersjargon voor geel. Nummer elf beweert dat ik een bril nodig heb.

„Ben je nou klaar?”, vraag ik op strenge toon. Hij zwijgt.

Ik houd het geel omhoog, en alsof die kaart hem toch nog verrast, roept nummer elf: „Dit méén je niet!” Hij doet nog een stap mijn kant op, en dan gebeurt het.

Een douw. Een bodycheck. Of eigenlijk maar een piepklein duwtje. Rugnummer elf tikt met zijn oververhitte borst tegen de mijne aan. Nog geen drie weken geleden deed de Hongaarse spits van Roda JC exact hetzelfde bij topscheidsrechter Gözübüyük. Die gaf direct rood, net als ik nu.

Pas na de wedstrijd besef ik het: mijn prachtige recordreeks is ten einde. Ik kan weer helemaal opnieuw beginnen.