De JSF: De lobby, het drijfzand en bizarre aannames

Soms zijn ambtelijke notities profetisch. Zoals die ene, uit maart 1999, van een topambtenaar op Defensie. Onderwerp: de Joint Strike Fighter (JSF), de grootste defensie-materieelorder ooit. Het JSF-dossier wordt omschreven als een ‘ongewenst sluipende vastlegging die afbreuk kan doen aan de ruimte voor bewindslieden om politieke afwegingen te maken’. Treffender kon niet, blijkt bijna vijftien jaar later. Want al in 1999 vermoedden velen binnen Defensie dat er maar één kandidaat was voor de opvolging van het F16-jachtvliegtuig: de JSF. Dat vermoeden werd eind vorig jaar bezegeld, toen minister Jeanine Hennis (Defensie, VVD) 37 toestellen kocht.

De weg daar naar toe was fascinerend. Die gaat over onmacht van de politiek, een geraffineerde lobby en gebroken beloftes, zo schetst militair historicus Christ Klep in zijn boek Dossier JSF. En om de constatering dat destijds al duidelijk had kunnen zijn dat de condities op basis waarvan voor de JSF werd gekozen, op drijfzand berustten.

Formeel besloot de Kamer in 2002 niet om de JSF te kopen, maar om deel te nemen aan het ontwikkelprogramma. Voor 800 miljoen dollar werd Nederland ‘level 2’-partner. Bijna alle andere ‘JSF-landen’, zoals Australië of Denemarken, waren voorzichtiger en werden ‘level 3’-partner. Zij betaalden slechts 125 tot 175 miljoen. Maar Nederland had hoge verwachtingen: tegenorders, hoogtechnologische werkgelegenheid, prachtige inkomsten als het toestel veel zou worden verkocht. Over dat laatste was geen twijfel, zo bleek uit de onderliggende ‘sluitende businesscase’, op basis waarvan minister Zalm van Financiën zijn fiat gaf. Die businesscase was gebaseerd op bizarre aannames, zoals een ongewijzigde dollar-euro koers, optimistische verkoopverwachtingen, terugbetaling van 3,5 procent van de omzet door deelnemende bedrijven aan de Staat en de zekerheid dat Nederland 85 toestellen zou aanschaffen.

De uitkomst stond lijnrecht op de optimistische verwachtingen: slechts 37 toestellen, een JSF-programma dat geteisterd werd door overschrijdingen en vertragingen, niet bepaald een stroom aan hoogtechnologische orders en zelfs een door het bedrijfsleven aangespannen arbitragezaak tegen de overheid omdat men de 3,5 procent niet meer wilde betalen.

Klep verbreedt zijn verhaal met een deel over het JSF-programma in de VS, dat de historie alleen maar boeiender maakt. Het is het verhaal van een multifunctionele jager dat waarschijnlijk nu al achterhaald is door de ontwikkeling van drones en intelligent geleide wapens. Ook dat was destijds trouwens onderwerp van discussie, net als de vraag waarom er in de jaren negentig niet een fundamenteel debat is gevoerd over wat voor luchtmacht Nederland eigenlijk zou moeten hebben.

Juist bij de Nederlandse invalshoeken laat Klep een en ander liggen. De onderlinge strijd op Defensie, de weinig geïnformeerde rol van de Kamer, het gevecht binnen de PvdA-fractie, , hoe een slimme lobby de vakbeweging en de PvdA uit elkaar speelde: het zijn maar enkele voorbeelden die in de biografie van oud-PvdA-voorzitter Ruud Koole werden aangestipt, maar beslist verdere uitwerking behoeven. Klep blijft daar aan de oppervlakte en rubriceert meer dan dat hij onderzoekt en analyseert. Daardoor is zijn boek een zeer bruikbaar naslagwerk geworden, maar moet het ultieme verhaal over de JSF nog geschreven worden.