De helft van zijn oeuvre kon beter

Veertig boeken schreef deze bijna-Nobelprijswinnaar. In zijn net verschenen, kritische en geautoriseerde biografie – zonder roddel en achterklap, en gebaseerd op gesprekken met Roth – worden die boeken gerelateerd aan zijn ‘burgermans’ leven.

‘Mijnheer Roth, zou u dezelfde verhalen schrijven die u geschreven heeft wanneer u in nazi-Duitsland had geleefd?’

Met die vraag werd Philip Roth in 1962 geconfronteerd nadat hij een lezing had gegeven aan de Yeshiva Universiteit in New York. De 32-jarige schrijver was drie jaar daarvoor gedebuteerd met een veelgeprezen verhalenbundel, Goodbye Columbus, die nogal wat ophef had veroorzaakt onder Joodse lezers; niet alleen omdat hij het Joods-Amerikaanse leven beschreef zonder speciale aandacht te schenken aan de Shoah of antisemitisme, maar ook omdat hij het had gewaagd Joodse personages te scheppen die laf, vulgair of gewoon onsympathiek waren. Nu werd hij daarvoor ter verantwoording geroepen, in een geïmproviseerd tribunaal dat hem duidelijk maakte dat hij ‘niet tegengesproken werd maar gehaat’. Toen hij ternauwernood zonder kleerscheuren het podium was afgekomen, zwoer hij tegenover zijn vrouw en zijn redacteur: ‘Ik schrijf nooit meer over Joden.’

Hij hield het gelukkig maar zeven jaar vol, zeven jaar waarin hij voornamelijk worstelde met een writer’s block. En toen publiceerde hij Portnoy’s Complaint, de (seksuele) biecht van een gefrustreerde Joodse jongen die hem in één klap beroemd maakte – alsmede de schrik van ouders, psychiaters, burgermannen en niet te vergeten ‘defenders of the faith’. Volgens (sommige) Joodse critici was Alexander Portnoy een karikatuur van de op seks beluste Jood, terwijl zijn moeder de jiddische memme een slechte naam gaf. Ze konden niet lachen om Portnoy’s masturbatiecapriolen (met zijn zusjes bh, met een stuk rauwe lever), laat staan om zijn streven volledig Amerikaan te worden door ‘een meisje te verleiden uit elk van de 48 staten.’ De Israëlische geleerde Gershom Scholem achtte Portnoy’s Complaint gevaarlijker dan ‘De Protocollen van Zion’ en schreef in de krant Haaretz dat Roth ‘het boek had geschreven waarvoor alle antisemieten hadden gebeden’.

Zijn vaderen

De verhouding van Roth tot het geloof van zijn vaderen (maar bedenk: hij groeide op in een geseculariseerd gezin in Newark, New Jersey) is een van de hoofdthema’s in Roth Unbound, een geschiedenis van de schrijver en zijn boeken door New Yorker-medewerker Claudia Roth Pierpont (geen familie). De even ingewikkelde als fascinerende manier waarop Roth zijn leven in zijn boeken verwerkte is een ander.

Pierponts boek is een voorbeeldige critical biography, uitgaand van Roths oeuvre, dat volgens de 80-jarige schrijver in 2010 werd afgerond en bestaat uit 26 romans, één verhalenbundel en drie andersoortige (autobiografische) boeken. In 330 bladzijden, een voorbeeld voor biografen in de hele wereld (en in Nederland in het bijzonder) bespreekt ze chronologisch alles wat Roth geschreven heeft en relateert ze dat aan zijn biografie. Het resultaat is een boek waardoor je alleen nog maar Roth wilt (her)lezen.

Pierpont verkeerde in de gelukkige omstandigheid dat ze eindeloze gesprekken met Roth voerde en alles mocht opschrijven wat hij vertelde. En Roth, dat weten we uit zijn boeken, kan behoorlijk scherp en grappig zijn. Binnen dertig bladzijden moest ik al een paar keer hardop lachen, bijvoorbeeld om zijn reactie op het verhaal dat hij in de vroege jaren zestig een televisiescenario had geschreven over de (morele) dilemma’s van de Joodse leider van het getto van Vilna (Vilnius) in de Tweede Wereldoorlog. ‘De tijd was niet rijp voor een stuk over een Jood die andere Joden verried,’ zegt Roth tegen Pierpont. ‘Ik had waarschijnlijk moeten vluchten naar Argentinië, zoals Eichmann.’

Het werk boven het leven, dat is het plan van aanpak van Roth Unbound. En dat spoort mooi met het terugkerende motto dat Roth leende van Flaubert: ‘Wees gewoon en ordelijk in je leven, als een burgerman, opdat je gewelddadig en origineel kunt zijn in je werk.’ Niet dat Roth zo’n ordelijk leven heeft geleid. Hij was twee keer getrouwd, maar onderhield meer buitenechtelijke affaires dan je als lezer kunt bijhouden. Als je zijn tweede vrouw, de actrice Claire Bloom, mag geloven, was hij een ongevoelige bruut; en ja, hij noemde de hoofdpersonen van Deception (1990), zijn meesterwerk over overspel, gewoon Philip en Claire. Maar Roth is geen Norman Mailer, geen vechter-drinker-socialite- politicus. Al kan dat ook liggen aan het feit dat hij niet hield van advertisements for himself; hij zocht minder de publiciteit.

In Roth Unbound worden de sappige details uit zijn leven over het voetlicht gebracht: het helse huwelijk met zijn psychiatrisch gestoorde, eerste vrouw (brandstof voor de romans When She Was Good en My Life as a Man), het semi-spionagewerk voor de dissidente schrijvers van Tsjechoslowakije in de jaren zeventig (zie The Professor of Desire en The Prague Orgy), het transatlantische huwelijk met Claire Bloom (I Married a Communist), het gebekvecht met feministische critici (die vrouwenhaat in bijna al zijn romans ontwaarden), de verzengende rugpijnen, de hallucinaties die hij kreeg als gevolg van het slaapmiddel Halcion. En dan zou ik bijna nog vergeten dat hij in 1964 uitging met Jackie Kennedy (Roth: ‘I know all about Lee Harvey Oswald, am I supposed to kiss her?) en dat hij naar aanleiding van zijn politieke satire Our Gang uit 1971 onderwerp werd van een interessant ‘literair’ debat tussen president (en slachtoffer) Nixon en diens stafchef Haldeman. De door Pierpont geciteerde dialoog, vol domheid en antisemitisme (en in zijn geheel te lezen via http://lareviewofbooks.org/), leest als een hilarische satire, waar Our Gang niet aan kan tippen.

Boeken staan nooit op zichzelf, heeft Roth in interviews gezegd: ‘Books are entirely referential, and what they refer to is life.’ Ondersteboven en binnenstebuiten is het leven van Philip Roth in zijn romans terecht gekomen; soms verwerkt in de verhalen over zijn alter ego’s David Kepesh (de ‘hoogleraar begeerte’) en Nathan Zuckerman, soms in de verhalen over een zekere Philip Roth, die veel – maar niet alles – deelt met zijn naamgenoot en schepper. ‘Maskenfreiheit’ noemt Roth dit, met een woord dat hij van Heinrich Heine heeft geleend: de vrijheid die maskers je verschaffen. Of zoals Zuckerman schrijft aan Philip Roth in The Facts: ‘I am your permission, your indiscretion, the key to disclosure.’ Aan Zuckerman, die de hoofdpersoon/ verteller is van negen van zijn romans, gaf hij op beslissende momenten een alternatieve biografie mee. En ook voor Philip Roth had hij counterlives in petto. Bijvoorbeeld in The Plot against America (2004), waarin hij de reëel bestaande familie Roth uit Newark plaatst tegen de achtergrond van een parallel Amerika waarin niet Roosevelt maar de antisemiet Lindbergh de verkiezingen van 1940 wint.

Roman fleuve

Tegen het eind van Roth Unbound merkt Pierpont op dat het soms lijkt alsof Roth in de afgelopen vijf decennia ‘een immens lange en deinende roman fleuve’ heeft geschreven. Met vallen en kolken, dat wel, want wie haar analyses van het oeuvre van de net-niet-Nobelprijswinnaar tot zich door laat dringen, beseft dat Roth ook behoorlijk wat (half)mislukte romans heeft gepubliceerd. Zo duurde het niet alleen tien jaar voordat hij het kritische (en commerciële) succes van Goodbye, Columbus (1959) evenaarde, maar ook voordat hij met The Ghost Writer een even sterk boek schreef als Portnoy’s Complaint.

Daarna werd de moyenne iets beter (zie ook inzet), ondanks enkele – door Pierpont overtuigend ontlede – zeperds, zoals Zuckerman Unbound (met ‘een Roth-held zonder een moreel ‘dilemma’), The Dying Animal (‘een bot en onaantrekkelijk boek’) en The Humbling (‘geforceerd en kunstmatig’). Roths status als een Great American Novelist, als de waardige opvolger van de verafgode Saul Bellow, berust voor Pierpont in de eerste plaats op drie van de vier boeken die hij in de jaren negentig over Amerika schreef: Sabbath’s Theater, American Pastoral en The Human Stain, alle drie ‘over mensen die door de geschiedenis vermorzeld worden [en] over mensen die vastbesloten zijn om eraan te ontsnappen door weg te vluchten van het verleden en zichzelf opnieuw vorm te geven.’

Pierpont is opvallend kritisch voor iemand die zo dicht bij Roth staat; je krijgt af en toe het idee dat Roth het stiekem met haar eens is, en dat hij door middel van deze geautoriseerde biografie afstand neemt van een aantal boeken waarover hij met terugwerkende kracht minder tevreden is. Je kunt nog een stap verder gaan, zoals The Guardian een paar weken geleden, en suggereren dat Roth Unbound door Roth zelf geschreven is: de ultieme uitbreiding van het spiegelpaleis dat Roths oeuvre is. Maar nee, Claudia Roth Pierpont bestaat echt, en heeft een naam te verliezen, en als Roth zo negatief zou denken over de helft van zijn boeken, dan had hij zijn oeuvre nooit integraal laten verschijnen in de prestigieuze Library of America. Het ziet ernaar uit dat Roth in Pierpont gewoon een biograaf naar zijn hart heeft herkend: iemand die er niet op uit was om zijn schrijverschap te besmeuren met roddel en achterklap, maar die schrijft zoals Zuckerman het heeft geleerd van zijn creative writing-docent: ‘The task remains to impart the nuance, to elucidate the complication, to imply the contradiction.’