De harde strijd om de paardenwaarheid

Debutante Genee treedt in de voetsporen van Peper en Rosenboom met een verhaal over ambitieuze (en mislukkende) mannen op de rand van de moderniteit – hun paarden schudden met de hoofden.

Foto Hollandse Hoogte
Foto Hollandse Hoogte

Pferdeschwindel, mokt de menigte. Paardenzwendel! Er móet iets gaande zijn met ondergrondse elektriciteit, of de oude paardenman geeft een seintje, met zijn hoed. Zo kan het paard precies het juiste aantal hoefklopjes geven, als antwoord op de rekensommen. De mensen zien paard Hans foutloos drie optellen bij zeven, en vijfhonderd delen door tien. En daar vier bij optellen.

Niemand gelooft écht in het bestaan van Slimme Hans, het paard dat kan rekenen, maar heel Berlijn loopt uit om hem in actie te zien. ‘Over de hoofden verspreidde zich een nieuw, onbekend parfum: gepoederde wangen vermengd met hooi en haver, katoenstijfsel met paardenmest,’ schrijft Pauline Genee dan in Duel met paard.

De roman kent meer van die bloemrijke formuleringen, treffende Duitse couleur locale en gevoel voor retoriek; het plezier dat de schrijfster moet hebben gehad met het tekenen en inkleuren van het Berlijn van 1904 spat ervan af. Deze debutante slaagt er bovendien in een boeiend verhaal te vertellen met een intrigerende plot – want hoe dóet-ie ’t, dat rekenpaard? En het is óók boeiend voor wie de historie van het paard al min of meer kent, uit de psychologie, waar het Kluger Hans-effect handboekmateriaal is (voor wie het weten wil, met spoiler alert: dat gaat over de vrijwel onzichtbare ‘dressuur’ van een vraagsteller, met minieme bewegingen).

Ja, paard Hans is beroemd geworden. Maar nee, ‘ostenisme’ en ‘ostenisering’ zijn niet in het wetenschapsjargon opgenomen – helaas voor Genees hoofdpersoon, de paardenleraar Wilhelm von Osten. Het is in Duel met paard zijn vurige missie om niet als kermisklant, maar als revolutionair gezien te worden. Opgemerkt. Erkend. Slimme Hans is immers geen wonderdier, maar een pedagogische prestatie! Geen curiosum, maar het resultaat van de juiste opvoeding!

Terecht zag Genee in dat aspect van dit historische verhaal een literaire roman: het verhaal van de streber Von Osten, die hoger reikt dan goed voor hem is en zijn tijd vooruit is. De stiel, kortom, van Thomas Rosenboom en Rascha Peper.

Het verhaal wordt in gang gezet door de komst van de gesjeesde Italiaanse portretschilder Emilio Rendich, die euforisch is als hij Hans ziet rekenen. Hij ziet in Von Osten een nieuwe Copernicus, iemand die paradigma’s doet kantelen: hij kan bewijzen dat dieren wél intelligent zijn. Hij schakelt zijn contacten in de wetenschap in.

Maar de lezer voelt dat dat enthousiasme van de hysterische vooruitgangsromanticus Rendich ook gewantrouwd moet worden. Duitsland staat op een breukvlak in de geschiedenis, tussen paardenkoets en automobiel. Rendich ontvangt de zinderende moderniteit met open armen, terwijl Von Ostens buurvrouw Frau Piehl het oude vertrouwde ook wel best vindt. Zo geeft Genee de strijd om de paardenwaarheid diepte, door er in wezen een duel om de moderniteit te maken – een historische roman passend.

Dat het voor Von Osten niet best zal aflopen, zien we aankomen. Dat is geen principieel bezwaar – zie Rosenboom – maar diens vermogen om een tergende, tragische ontgoocheling te beschrijven bezit Genee nog niet. Zij bewandelt een weinig overtuigend zijweggetje in Rendichs verhaal, die een verboden liefde koestert en daardoor de controle over zichzelf verliest. Het voelt kunstmatig en niet helemaal doordacht. Dan is het personage Von Osten beter gelukt, want al klinkt de bron van zijn pedagogische bewijsdrang wat bedacht (het is een afrekening met zijn Spartaanse, nou ja, Pruisische jeugd), maar het voelt natuurlijk aan.

Ondenkbaar is het dus niet dat Genee op weg is naar het niveau van Rosenboom of Peper – met het werk van Peper deelt Duel met paard ontegenzeggelijk het vlotte tempo. Maar soms benoemt Genee daardoor nog wel erg veel (‘Von Osten was behalve verbaasd vooral boos geweest en teleurgesteld’) of verliest ze de controle over haar metaforen (‘ochtendschemer haakte vochtig aan de stenen’).

De beloftevolle schrijfster schuilt, toepasselijk genoeg, in de kleine bewegingen. Met een geniepig gevoel voor humor laat ze al in het eerste hoofdstuk, ‘voor wie goed keek’, de Berlijnse paarden met ‘hun loom schuddende hoofden soms bedenkingen aantekenen’, bij de moderne tijd. Opmerkzame paarden, veelbetekenende kleinigheden.