Cowboyheld gaat ten onder in de mistroostige realiteit

In Ringo, de recentste roman van de Spaans-Catalaanse schrijver Juan Marsé, verliest de titelheld op 15-jarige leeftijd een vingerkootje: geplet door de metaalwals van de edelsmid bij wie hij in opleiding is. Of Marsé zelf ook zo’n verminking heeft opgelopen weet ik niet, wel dat ook hij zo’n leerjongen is geweest. En ook hij werd na de dood van zijn moeder geadopteerd door een echtpaar in een Barcelonese volkswijk. Als Ringo aan het einde van de roman schrijver blijkt te zijn geworden, is er weinig twijfel meer aan de autobiografische inslag van deze roman, Marsés dertiende al weer.

Dat mag nauwelijks een verrassing heten. Veel boeken van Marsé draaien rond zo’n volksjongen, zoals hij zelf in de schrale tijd na de Spaanse Burgeroorlog ook was. In De laatste middagen met Teresa, waarmee hij in 1966 literair doorbrak en dat pas drie jaar geleden in het Nederlands verscheen, gaf Marsé hem de scherpe kanten van de geboren schelm. Hij schiep daarmee een van de beklijvende typetjes uit de Spaanse literatuur: de ‘Piechemapart’ – ongetwijfeld één van de redenen waarom hem vijf jaar geleden de Cervantes-prijs, de hoogste literaire onderscheiding in de Spaanstalige wereld, werd toegekend.

De Ringo uit Marsés nieuwste roman (in het Spaans heet het boek: Caligrafia de los sueños, vertaald De kallegrafie van dromen) heeft niets te maken met The Beatles. Die zijn in 1948, waarin het grootste deel van het boek speelt, nog toekomstmuziek. Hij heeft die naam zelf bedacht; niet Mingo (van Domingo), maar Ringo Kid: de ster in de cowboyverhalen die hij bedenkt en met zijn vriendjes op lege stukken bouwgrond naspeelt.

Zoals altijd weet Marsé die jongenswereld overtuigend op te roepen: van de manier waarop zij rond hun 10de nog alles wat volwassenen zeggen volstrekt letterlijk nemen tot hun opspelende hitsigheid een paar jaar later. Door dat alles heen speelt de armoede van de naoorlogse jaren en de grove wijze waarop het bewind elke ‘rooie’ proteststem (zoals die van Ringo’s stiefvader) tot zwijgen brengt.

Die schamele seksualiteit blijft niet tot pubers beperkt. Een buurvrouw van Ringo legt het aan met een mysterieuze minnaar die plots verdwijnt. De brief die zij van hem verwacht (afscheid? verzoening?) blijft uit en haar alcoholische verloedering wordt steeds groter. In een mengeling van walging en onbegrip schrijft Ringo tenslotte zelf die vurig verhoopte brief, maar hij slaat de plank volkomen mis.

Veel maakt het allemaal niet uit; alles loopt in deze roman met een treurige sisser af – inclusief de onverwachte wending die Marsé aan het slot in petto heeft. Alle dromen waarvan de Spaanse titel spreekt (Ringo zelf hoopt concertpianist te worden, tot hij zijn vinger verliest) verslensen in de mistroostige realiteit van alledag.

Marsé weet die mistroostigheid vaardig op te roepen, en toch laat Ringo veel minder herinnering na dan De laatste middagen met Teresa. Zowel het plot als de karakters ontbreekt het aan scherpte. Niets schuurt er, niemand stijgt boven de onbetekenende middelmaat uit. Ringo is een degelijke roman, maar het verhaal ervan is – ook door Marsé – al vaker en beter verteld.