Als Remco Campert in de spiegel kijkt, ziet hij niets

‘Waarover zal ik schrijven? Als een columnist zich die vraag stelt, kan dat twee dingen betekenen: óf hij kan kiezen uit een grote hoeveelheid onderwerpen en vraagt zich af welke lekkernij hij deze keer uit de snoepdoos zal graaien, óf hij heeft geen idee, zelfs geen flauw.’ Mooi, dat uit de zin losgezongen ‘zelfs geen flauw’.

We zijn halverwege Te vroeg in het seizoen, de als ‘autobiografische schetsen’ uitgegeven columns van Remco Campert,die deze zomer 85 wordt. (Dat er tijdens de productie een d-t-fout is blijven staan, verzwijgen we.) Campert vervolgt zo: ‘Ik heb de indruk (ik zeg het een beetje voorzichtig, want ik weet niet zeker of het waar is) dat die tweede gesteldheid bij mij zich de laatste jaren vaker voordoet dan vroeger.’

Zonder voorzichtigheid: het is waar. Als je de stukjes die Campert wekelijks in het boekenkatern van de Volkskrant schrijft, zo samen leest, valt het op hoe vaak de schrijver aan het begin van een column even een pas op de plaats maakt, vaststelt dat hij nog niet weet waarover het stukje zal gaan en zich hardop afvraagt waar het allemaal zal eindigen.

Dat heeft te maken met de manier waarop Campert al zijn hele leven schrijft – gewoon beginnen en zien waar je uitkomt – maar ook met groeiende twijfel. ‘Waarom hecht ik er eigenlijk zo’n waarde aan om ‘zomaar iets’ te kunnen opschrijven?’

Regelmatig haalt Campert een ingetogen herinnering op. Of hij schrijft over de oudejaarskranten waarin ‘gebeurtenissen van het afgelopen jaar, die we juist graag zouden vergeten, omstandig werden opgerakeld’. Vaak pakt de dichter een boek van Lucebert, Kouwenaar, Faverey of een andere hem na aan het hart liggende collega. Of hij haalt ouder werk van zichzelf aan, waar hij dan ook maar weer aan toevoegt: ‘Ik weet het, ik citeer te veel. En ook nog uit eigen werk. Gun een ander ook wat eer, zou je zeggen. Maar denk niet dat ik de hele dag verliefd op mezelf in de spiegel zit te kijken. Als ik in de spiegel kijk, zie ik niets.’

Het is een mooi en droevig beeld. Want hoewel Remco Campert nooit in staat zal zijn een slecht stukje te schrijven, sluipt de herhaling stilletjes deze bundel in, samen met het besef dat er aan elk schrijverschap onherroepelijk een einde komt. Al is dat misschien juist een reden om nu nog alles van Campert te willen lezen wat we te pakken kunnen krijgen. ‘Het verstandigste schrijven is misschien het niet-schrijven. Maar daar zou ik dan nog altijd over willen schrijven.’