Wraakgevoelens in Baskenland

Een akkoord met de afscheidingsbeweging is onder handbereik, maar nabestaanden vinden ‘Madrid’ te soft.

Terwijl een harde wind de cipressen doet zwiepen, daalt een miezelregen neer over de tientallen mensen op begraafplaats Polloe in San Sebastián. Ze staan deze grauwe middag in een halve cirkel rond het graf van Gregorio Ordóñez. De rijzende ster van de rechtse Volkspartij (PP) werd in 1995 geliquideerd door de Baskische terreurgroep ETA. Elk jaar herdenkt zijn zus Consuelo Ordóñez hem. Maar dit jaar is het – ondanks het barre weer – drukker dan andere jaren, zegt ze. Schamperend: „Die PP’ers laten nu ineens hun gezicht weer zien.”

Ordoñéz is zwaar teleurgesteld in haar broers partij, die sinds eind 2011 weer landelijk regeert. De regering Rajoy, stelt ze in haar boze grafrede, luistert niet naar de nabestaanden van ETA-slachtoffers. „Ze dreigen de nagedachtenis aan mijn broer te grabbel te gooien. Ze moeten veel harder optreden tegen de geweldplegers. Je moet ze isoleren. We moeten ze publiekelijk verwerpen, want nu winnen ze de harten van de man in de straat.”

Directe aanleiding voor de woede van Ordóñez’ vormt een recente uitspraak van het Europees Hof voor de Mensenrechten in Straatsburg. Hierdoor kwamen enkele tientallen ETA-gevangenen ineens vervroegd vrij. Dat Madrid zich bij deze bindende uitspraak neerlegde, leidde tot grote boosheid bij slachtofferorganisaties, zoals die van Ordóñez.

Sindsdien rommelt het in de regeringspartij. Leden van de radicale rechtervleugel eisen dat premier Rajoy veel nadrukkelijker partij kiest voor de slachtoffers. Een paar prominenten scheidden zich al af in een nieuwe partij. En ook de invloedrijke oud-premier Aznar uitte zijn onvrede door vorige week af te zeggen voor een partijcongres.

De kritische PP’ers eisen deze compromisloze opstelling jegens ETA, nu het definitieve einde van het ruim een halve eeuw oude gewapende conflict onder handbereik lijkt. Door succesvol ingrijpen van justitie en opsporingsautoriteiten is de beweging al enkele jaren feitelijk verslagen. Ruim twee jaar geleden kondigde ze een ‘definitief staakt-het-vuren’ af. Het moorden, bedreigen en afpersen is gestopt. De groep telt nog maar enkele tientallen actieve strijders.

Het eindspel verkeert echter in een impasse. De regering eist dat ETA zich ontbindt en alle wapens inlevert. De beweging wil eerst dat ruim vijfhonderd ETA-gevangenen, die nu verspreid over het land vastzitten, dichterbij huis gedetineerd worden.

Axun Arunburu en Itziar Goienetxea moeten elk weekeinde tot wel tweeduizend kilometer reizen voor een bezoek van drie kwartier aan hun mannen. „Natuurlijk zijn onze mannen politieke gevangenen. Waarom worden ze anders, veel strenger behandeld dan gewone gevangenen?”, zegt Goienetxea in haar woonkeuken in het Baskische vissersplaatsje Pasajes de San Juan. Op de schouw staat een grote foto van haar man Xabier, die vastzit omdat hij schreef voor een verboden krant.

De vrouwen vinden dat ze dubbel gestraft worden. „Ik begrijp dat de slachtoffers wraak willen, maar ze hebben te veel invloed”, zegt Arunburu, wier man een straf van dertig jaar kreeg omdat hij 2001 een autobom liet afgaan. „Ouders van een verkrachte dochter willen ook de doodstraf voor de dader, maar daar luistert de regering toch ook niet naar.”

In Baskenland wordt dit gevoel van onrecht breed gedeeld. Het wordt verwoord door de izquierda abertzale, de verzameling ultralinkse radicaal regionationalistische politici, activisten, advocaten, vakbonden die de legale entourage van de ETA vormen. Hun partij Bildu won eind 2012 ongeveer een kwart van de stemmen.

Maar ook de PNV – de centrum-rechtse, gematigd regionationalistische partij die de regio bestuurt – wil dat de landelijke regering beweegt op het punt van gevangenen. En ook binnen de Baskische socialisten en de regionale PP gaan stemmen op dat Madrid deze vredeskans moet grijpen.

„Het is heel moeilijk te begrijpen als je almaar stappen zet en Spanje daar niet op reageert”, zegt Manu Ugartemendia, een naar eigen zeggen ‘voormalig’ ETA-militant die meermaals vastzat voor activiteiten binnen de terreurgroep. In oktober nog werd hij met zeventien anderen gearresteerd, bij een politieactie tegen Herrira. Deze organisatie coördineert de lobby voor versoepeling van het detentiebeleid.

Ugartemendia weerspreekt dat, zolang ETA zich niet ontbindt noch de wapens opgeeft, ze impliciet dreigt met een terugkeer naar het geweld. „In Baskenland wordt het staakt-het-vuren echt als definitief gezien. Het is de regering die obstakels opwerpt.” Hij doelt op de recente juridische acties van een onderzoeksrechter in Madrid tegen advocaten en activisten die zich inzetten voor de ETA-gevangenen.

In reactie hierop gingen vorige maand ruim honderdduizend mensen in Bilbao de straat op. Die mars onderstreepte dat veel Basken de opstelling van Madrid juist als te onwrikbaar zien, zegt José Manuel Herzog, PP-gemeenteraadslid in Rentería, een voorstadje van San Sebastián. „Dit harde beleid is de belangrijkste machine van voorstanders van onafhankelijkheid.”

Herzog werd overladen met kritiek toen hij steun gaf aan een verzoeningsproject van de Bildu-burgemeester van Rentería. Begin 2013 organiseerde die een film- en debatcyclus over het Baskische conflict, waarbij nabestaanden van ETA-terreur en oud-militanten met elkaar in gesprek gingen. Dat Herzog dit initiatief steunde, maakte hem tot doelwit van slachtofferorganisaties, de rechtse PP’ers en conservatieve Madrileense media.

De aanvallen deren hem weinig, vertelt Herzog in zijn kantoortje op het stadhuis. „Ik zit op deze plek, omdat mijn twee PP-voorgangers door ETA zijn vermoord. In Madrid, op 500 kilometer afstand, is het makkelijk stoer praten. Ik kom mensen uit het andere kamp dagelijks tegen, in het trappenhuis, op straat.”

De Basken, meent Herzog, leven met een heel andere realiteit dan de rest van Spanje. „Wij zijn veroordeeld tot elkaar. Daarvoor moeten we barricades neerhalen, uit onze loopgraven komen. Anders groeit er nóg een generatie op met haat in de harten.”

Rentería was een van de plekken die veel te lijden hadden onder ETA-geweld. Het stadje werd wel het ‘Belfast van Baskenland’ genoemd. Nu is de situatie er, zoals over in Baskenland, al jaren kalm. Bijna nergens meer staat het voorheen alomtegenwoordige ‘Gora ETA’ (Leve ETA) op de muur. Wel staat het stadscentrum vol met graffiti die oproept ‘de gevangenen naar huis’ te halen. Ook ‘Independentzia’ is prominent aanwezig.

Burgemeester Julen Mendoza laat de muren soms oververven, ook al is hij het eens met de leuzen. „Het geweld van ETA is gestopt, dat tegen de gevangenen gaat door”, zegt de 35-jarige Bildu-politicus.

De onbeweeglijkheid van Madrid verklaart hij als volgt: „De regering heeft al zo veel problemen: de crisis, de corruptie, de zwakke koning, het onafhankelijkheidsreferendum dat Catalonië wil houden. Wij kunnen de Catalanen gaan volgen. Hard optreden tegen Baskische nationalisten, moet de aandacht afleiden.”

„De impasse is te doorbreken, maar daartoe moet wel de wil bestaan. En die zie ik bij deze regering niet”, verklaart Javier Elzo in een hotel in San Sebastián. De gepensioneerde hoogleraar sociologie moest zelf vijf jaar met bewaking over straat, nadat hij een onderzoek publiceerde over radicalisering onder Baskische jongeren. Hij noemt ETA „de ergste zweer die Baskenland gekend heeft”.

Dat gezegd hebbende, vervolgt hij, „moet rechts ook toegeven dat het voortbestaan van ETA haar goed uitkomt”. Haar onwrikbare houding tegen ETA en alliantie met de terreurslachtoffers helpt de PP nationale verkiezingen winnen, begrijpt Elzo. Maar in Baskenland zelf is het bijeffect dat het nationalisme groeit. „ETA heeft de militaire strijd dan wel verloren, via de izquierda abertzale kan ze de politieke strijd nog winnen.”