Kinderhand van een Ernemmer is snel gevuld

Als dank voor een voordracht in de plaatselijke bibliotheek kreeg ik gisteren een boekje met een literaire wandeling door Arnhem cadeau dat begon met een citaat uit ‘Eindelijk oorlog’ van Herman Koch (geboren in Arnhem). Arnhemmers nemen het zwartste scenario altijd als uitgangspunt ‘Het begint bij mij altijd meteen al op het station. Dat gevoel

Als dank voor een voordracht in de plaatselijke bibliotheek kreeg ik gisteren een boekje met een literaire wandeling door Arnhem cadeau dat begon met een citaat uit ‘Eindelijk oorlog’ van Herman Koch (geboren in Arnhem).

Arnhemmers nemen het zwartste scenario altijd als uitgangspunt

‘Het begint bij mij altijd meteen al op het station. Dat gevoel alsof je in een te warm gestookte kamer bent waar geen raam open kan. Alsof je in de wachtkamer van de tandarts zit en tijdschriften doorbladert, zonder dat je ooit wordt binnengeroepen om van die zeurende kiespijn te worden verlost.’

Het zal wel weer door de oorlog komen, waarin de stad totaal werd verwoest, maar typerend voor de Arnhemmer (‘Ernemmer’) is dat hij altijd het zwartste scenario als uitgangspunt neemt. De ingecalculeerde nederlaag. Er zijn er die dat cynisch vinden, maar de Arnhemmer redeneert: dan kan het alleen nog maar mee vallen.

Ik hield een voordracht over de vorig jaar overleden Vitesse-icoon Theo Bos en keek er vanachter de microfoon een stuk of honderd ‘recht in de bek’, allemaal behept met een laag verwachtingspatroon.

„Het viel me erg mee”, zei een jongen met een kaal hoofd me na afloop, een groter compliment kun je van een Arnhemmer niet krijgen. Hij vertelde een anekdote.

„Ik ging altijd naar de training van Vitesse kijken. Ik vroeg een keer aan Theo Bos of hij met me wilde wedden. ‘Ik ga in het doel staan en jij mag vijf penalty’s nemen. Als ik die alle vijf stop, krijg ik van jou een broodje bal.’ Hij schoot vijf ballen op me, allemaal keihard, maar recht in mijn pens. Ik had gewonnen, maar kon van de buikpijn geen broodje bal meer zien.”

Gewonnen, maar toch verloren. Daarna vertelde hij drie keer dat dit het nooit meer te overtreffen hoogtepunt van zijn leven was. Je zou kunnen zeggen dat een kinderhand snel gevuld is, maar mij ontroerde het.

Even later gaf de mevrouw van de bibliotheek me dat boekje met die literaire wandeltocht en een zak met koekjes.

„Arnhemse meisjes”, zei ze, „de plaatselijke lekkernij.”

„Mag ik wat vragen?”, riep iemand uit de zaal. „Kun je die dingen opblazen dan?”

Bij het verlaten van de bibliotheek zag ik hoe een tachtigjarige Arnhemse werd klemgereden door de politie vanwege een verkeersovertreding.

„O, heb je me daarom achtervolgd”, riep ze. „Ik dacht al dat ik teveel goud had omhangen.”

Voor de rondwandelende vreemdeling is Arnhem wellicht een te warm gestookte kamer, maar binnen lachen ze heel gezellig om elkaar.