In het aangeharkte Sotsji is geen ijsmuts te zien

De zon schijnt, het is achttien graden en de terrassen lonken. Sotsji is een stad zonder Olympische Winterspelen.

Treinend tegen de rijrichting in verdwijnt het Olympisch Park langzaam uit beeld. Als laatste lost het grote bolvormige Bolsjoi-ijshockeystadion in het niets op. Gegroet Sven Kramer. Bye bye Ireen Wüst. Tot later Michel Mulder. Sotsji lonkt, volgens Stalin en Poetin parel aan de Zwarte Zee.

Boemelend langs het water wordt Adler bereikt, dan Khosta, vervolgens Matsesta en na zo’n veertig minuten eindstation Sotsji, mooie stad tussen de bomen. Een ijsbaan? Een curlinghal? Niet in deze stad, waar alleen vrijwilligers in hun fleurige tenues aan de Winterspelen doen denken. Maar niet in functie. Twee Moskouse studentes vertellen dat ze een dagje vrij hebben en ontspanning buiten de olympische bubbel zoeken.

In Sotsji doen hooguit doeken met het olympische logo aan de gemeentelijke gebouwen aan de Winterspelen denken. Of de grote vijf ringen nabij de universiteit, vooral in trek voor familiekiekjes. Op een lommerrijk pleintje is een fanzone ingericht. Op een podium probeert een Russische bard zijn hoofdzakelijk bejaarde gehoor te plezieren. Hij krijgt amper respons.

Het kabbelende leven in Sotsji wordt alleen verstoord naast het station, waar honderden mensen in de rij staan voor het kaartjeskantoor van de Winterspelen. Geduldig wachten ze op hun beurt. Wie aansluit, wordt aangeschoten door zwarthandelaren, die in de weer zijn met smartphones en iPads.

Als Roman Valuev, verslaggever van de website zolotosochi.ru, even later van die volkstoeloop hoort, reageert hij verbaasd. „Zo veel? Tot afgelopen weekeinde waren weinig inwoners geïnteresseerd in kaartjes. Nu de Spelen zijn begonnen en de mensen de beelden op televisie zien, beseffen ze schijnbaar dat al dat moois in hun achtertuin plaatsvindt en willen ze erbij zijn. Heel Russisch, zo’n defensieve houding.”

De zon schijnt, het is achttien graden en de terrassen lonken. Tijd voor koffie, na een wandeling over een promenade met blinkende winkelpuien. Primaire indruk: een mondain oord, de stad Sotsji. Geen ijsmuts te zien. Wel bontjassen. De uitbater van de lunchroom wist het zweet van zijn voorhoofd. Of de zaken goed gaan? Nou en of. „Een zegen die Winterspelen, meneer.” En zijn ogen glimmen.

Dieper in de stad valt op hoe aangeharkt Sotsji is. De smoezeligheid – herinnering aan een eerder bezoek – is verdwenen. De taxistandplaats met voortdurend ruziënde chauffeurs is verplaatst. De rommelige kleine voedselmarkt op het trottoir even verderop? In het niets opgelost.

Van de verkoopster in een bloedheet telefoonwinkeltje had de hele stad schoongemaakt mogen worden. Verongelijkt: „Ga maar eens buiten het centrum kijken, daar is het nog steeds een catastrofe.”

Drukke voetgangersoversteekplaatsen zijn vervangen door tunnels, met trapliften. Eenmaal bovengronds nergens rommel, geen zwervers en zelfs lallende dronkaards zijn uit het straatbeeld verdwenen. Die vind je alleen nog in de kleine dranklokalen, waar de dorst met de rug naar olympische tv-beelden ruimschoots wordt gelest. „Olympische Spelen, ik moet er niks van hebben”, schreeuwt een aangeschoten Rus met een wegwerpgebaar. „Ik kijk alleen naar voetbal. Chelsea, dat is mijn club. Olé, olé, olé.”

Op naar de haven, waar cruiseschepen dienst doen als hotel. Huh, een perscentrum? Die bijenkorf van journalisten staat toch op het Olympisch Park? Maar ook in Sotsji; met uitzicht op zee nog wel. Bestemd voor niet-geaccrediteerde journalisten. Zo’n tweeduizend, vooral afkomstig uit Rusland en de voormalige Sovjetrepublieken.

Binnen zit internetredacteur Valuev, voormalig militair, die vijftien jaar geleden zijn geluk in Sotsji vond. Of hij het niet raar vindt dat Winterspelen van Sotsji helemaal niet in Sotsji worden gehouden, maar zo’n 40 kilometer oostwaarts, in Adler, op kruipafstand van Abchazië. En in Krasnaja Poljana, vanaf Adler een uurtje bussen de bergen in. Hij snapt de vraag niet. De regio, 147 kilometer uitgesmeerd langs de Zwarte-Zeekust, heet toch Sotsji? Wat nou? Ja maar, het IOC wijst Spelen toe aan een stad, niet aan een streek. Dat mag zo zijn, voor Valuev is Sotsji één groot gebied.

Zijn collega Artjon Tikhomirov van het radiostation Voice of Russia wil de Nederlandse verslaggever graag interviewen. Wat ie van de Spelen vindt? Heeft hij weer een onderwerp, want Tikhomirov vindt het zonder IOC-accreditatie moeilijk werken.

Nu Tikhomirov, een genuanceerde, voortreffelijk Engels sprekende Moskoviet, een Nederlander tegenover zich heeft, wil hij graag de omstreden antihomowet toelichten. Hij voelt zich gekwetst dat westerlingen de Russen als intolerant afschilderen. In Rusland, legt hij uit, worden homoseksuelen over het algemeen geaccepteerd. Maar de overgrote meerderheid houdt niet van manifestaties waarin zij hun geaardheid uiten. Voor een Gay Pride, zoals in Amsterdam, is Rusland nog lang niet rijp.

Tikhomirov heeft zijn punt nog niet gemaakt of de aandacht wordt getrokken door veel commotie bij de ingang. En wie komt binnenwandelen: Vladimir Poetin! Alsof de duivel ermee speelt. De president blijft op korte afstand van Tikhomirov stilstaan om door de directrice van het perscentrum te worden geïnformeerd. De redacteur maakt snel een paar foto’s. „Ik zie Poetin voor het eerst”, fluistert hij, merkbaar onder de indruk.

Even snel als hij is gekomen, verdwijnt Poetin weer.

Tijd om de trein terug te nemen. De avond is al bijna gevallen als de olympische vlam opdoemt. Het vuur van Sotsji, stad zonder Winterspelen.