Het wijkteam gaat alles oplossen. Toch?

Gemeenten zien ‘sociale wijkteams’ als hét antwoord op naderende bezuinigingen in de zorg. Maar de vorming van die teams stuit – tien maanden voor uur U – op grote problemen.

Een vrijwilliger van een wijkteam (r) in een Amsterdams wijkcentrum helpt een buurtbewoner met telefoontjes naar de gemeente en een energiemaatschappij.
Een vrijwilliger van een wijkteam (r) in een Amsterdams wijkcentrum helpt een buurtbewoner met telefoontjes naar de gemeente en een energiemaatschappij. Foto Olivier Middendorp

Vraag wethouders of lokale ambtenaren hoe zij de verontrustend hoge bezuinigingen op de zorg en de jeugdzorg per 2015 gaan verstouwen, en ze komen steevast met hetzelfde antwoord. We gaan werken met ‘sociale wijkteams’.

15 procent minder budget voor jeugdzorg? 40 procent minder voor huishoudelijke hulp? Lastig, maar het moet kunnen, zeggen ze. Want de wijkteams werken ‘integraal’: de maatschappelijk werker trekt samen op met de opvoedkundige, de wijkverpleger, de schuldhulpverlener. Een probleemgezin heeft immers zelden maar één probleem. Het team brengt dat mozaïek aan problemen in kaart, pakt ze aan, én dringt erop aan dat burgers hun eigen ‘kracht’ en netwerk aanwenden. Doorverwijzen naar specialistische hulp is dan minder nodig. En dat spaart geld.

Voilà: de sociale wijkteams als spil van het gedecentraliseerde, participerende Nederland van 2015. Maar hoe staat het er eigenlijk voor met die teams, tien maanden voor Uur U?

Een deze maand te publiceren rapport van kennisinstituut Movisie, in handen van deze krant, schetst een weinig rooskleurig beeld. Vaagheid heerst, zo blijkt uit een analyse van de beleidsnota’s van 25 gemeenten. Zo maken gemeenten niet duidelijk waarom zij eigenlijk een wijkteam willen optuigen, of het zich richt op burgers met zware of lichte zorgklachten, wie het team aanstuurt.

Tegelijkertijd zijn de verwachtingen over de wijkteams ‘hooggespannen’, schrijven onderzoekers Silke van Arum en Vasco Lub. Van Arum: „Gemeenten schrijven bijvoorbeeld: ‘Wijkteams weten welke specialisten zij moeten inschakelen.’ Dan vraag ik me af: hoe weten die teams dat dan? De positieve verwachtingen lijken gebaseerd op wishful thinking.”

Nu het goede nieuws: het succes van de wijkteams is niet per se afhankelijk van beleidsnota’s. Het is de praktijk die telt, zegt Freek de Meere, hoofd van het onderzoeksprogramma sociale vitaliteit en veiligheid van het Verwey-Jonkerinstituut: „Sterker nog, als je iets nieuws ontwikkelt, is er vooraf per definitie veel onduidelijk. Dat hoort bij experimenteren.” En experimenten met wijkteams pakken hier en daar goed uit.

Neem Utrecht. Sociale teams zijn al sinds april 2012 aan de slag in de wijken Overvecht en Ondiep. Teams met negen man: de een vanuit de zorg, de ander vanuit de schulphulpverlening. Met succes, zo stelde het Verwey-Jonkerinstituut vorig jaar vast: de inzet van de nieuwe teams leidt tot een besparing op het lokale zorgbudget van 10 procent. De ‘integrale’ kijk van het team leidt tot een kleiner beroep op specialisten. Bovendien zijn de teams benaderbaar: ze houden kantoor in een schooltje of verpleeghuis in de wijk. Tot tevredenheid van bewoners, die niet langer hoeven te shoppen langs een veelvoud aan loketten.

Wijkteams hebben dus de potentie om burgers goed en goedkoper te helpen. Maar de hamvraag is: maken ze die potentie straks ook waar? Feit is dat er een flink aantal hordes staat, op de weg naar succes.

Zoals het aanspreken van het eigen netwerk van hulpbehoevende bewoners. Freek de Meere: „Het sociale netwerk van deze mensen is vaak klein, leert de ervaring in Utrecht. Een wijkteam kan wel zeggen: ‘schakel uw vrienden in’, maar als er geen vrienden zijn, wordt dat lastig. Of stel, je hebt enorme schulden. Wat moet een vriend dan doen? Zijn geld uitlenen?”

Orthopedagoog Tom van Yperen van het Nederlands Jeugdinstituut, adviseur van gemeenten over de inrichting van wijkteams, vraagt zich af hoe de teams zich verhouden tot het bestaande aanbod van zorg. „Stel, een bijna 4-jarig kind wil niet op de wc poepen, maar alleen in de luier, en over drie weken begint de basisschool. Moeten de ouders dan aankloppen bij een sociaal wijkteam? Is dat in hun belang? Is het consultatiebureau daar niet voor? En wat doet een jongen van 16 die veel blowt en stemmen hoort? Moet hij naar het wijkteam, naar de huisarts, of naar beide? Gemeenten moeten daar helder over zijn, zodat burgers weten waar ze aan toe zijn.”

De professionals in het wijkteam zijn vaak in dienst van een ‘moederorganisatie’ – de huisartsenpraktijk, het maatschappelijk werk, de welzijnsstichting. En de eisen van beide werkkringen botsen geregeld, zeggen Hilde van Xanten en Karin Sok, adviseurs die namens Movisie gemeenten bijstaan bij het vormen van wijkteams. Van Xanten: „Ik sprak laatst een wijkverpleegkundige die van haar werkgever moet voldoen aan hoge productie-eisen. Haar werktijd moet voor 80 procent declarabel zijn; toe te schrijven dus aan activiteiten met directe, toegevoegde waarde voor de productie.”

Het wijkteam vergt een andere manier van werken van de verpleegkundige. Praten met de cliënt, diens sociale netwerk aanboren, overleggen met het wijkteam, een integrale oplossing bedenken. Van Xanten: „Die verpleegkundige zei tegen mij: op die manier is mijn werk nog maar voor de helft declarabel. Hoe leg ik dat uit aan mijn baas?”

Spanningen ontstaan ook doordat de moederorganisatie vreest geld mis te lopen. Veel euro’s van de gemeente stromen straks naar de teams. De Meere: „Die zorgorganisaties willen niet failliet gaan. Ze zullen proberen ook in zo’n team terecht te komen.”

Karin Sok van Movisie: „Het risico is dat die teams dan veel te groot worden. Vijftien mensen, of zelfs meer. Dan kun je moeilijk effectief werken.”

Volgens Sok en Van Xanten duurt het „twee tot vier jaar” voordat een wijkteam zijn kinderziektes heeft overwonnen. Maar het gros van de gemeenten, schatten zij, experimenteert pas sinds kort met de teams.

Toch rekenen sommige gemeenten zich al rijk op basis van zogenoemde ‘maatschappelijke kosten-batenanalyses’, zegt hun collega bij Movisie, onderzoeker Silke van Arum. „In zo’n analyse gaat een gemeente er bijvoorbeeld van uit dat de inzet van het wijkteam leidt tot een daling van het beroep op de specialistische hulp, en dús tot een besparing van zoveel euro. Maar gemeenten presenteren die berekeningen als behaalde resultaten. Bovendien: is de burger er dan beter aan toe? En komt dat dan echt door de inzet van het wijkteam?”