Alles was een gevecht, en dat vier jaar lang

Wat was de charme van het progressieve kabinet-Den Uyl? Zaterdag verschijnt daar een boek over en spreken ministers van toen in de Kleine Komedie in Amsterdam.

Ze waren veelal jong en boordevol ambitie. De ministers van het kabinet Den Uyl, dat nog altijd bekendstaat als het meest progressieve kabinet dat Nederland ooit regeerde. Het was 1973, de roerige jaren zestig waren reeds voorbij, maar in Nederland kwam, zoals dat heette, de verbeelding aan de macht. De verbeelding die nog altijd tot de verbeelding spreekt. Het is de waterscheiding in de nationale politiek: voor of na het kabinet Den Uyl.

Ruim veertig jaar geleden is het nu dat de vijftien mannen en één vrouw van het nieuwe kabinet zich op de trappen van paleis Huis ten Bosch rondom koningin Juliana verzamelden. „Waar visie, waar uitzicht ontbreekt, komt het volk om”, citeerde minister-president Den Uyl enkele weken later uit het Oude Testament, tijdens zijn regeringsverklaring in de Tweede Kamer.

Zestien ministers waren het. Van hen zijn er nu nog vijf in leven: Dries van Agt, Ruud Lubbers, Jan Pronk, Jos van Kemenade en Tjerk Westerterp. Zeventigers en tachtigers zijn het inmiddels. Elder statesman, maar nog altijd van de verandering. Andere Midden-Oostenpolitiek (Van Agt), andere milieupolitiek (Lubbers), andere sociale politiek (Pronk). De jaren in het kabinet Den Uyl waren hun vormende jaren.

Het was het anders dan andere, het geestdriftige dat het kabinet zo bijzonder maakte en (zeker naarmate het langer geleden is) mythische vormen geeft. Een minister met haar tot over zijn oren (Pronk), een staatssecretaris in spijkerpak (Jan Schaefer), ministers die niet meer als excellentie aangesproken wensten te worden en ministerssalarissen die vanaf de eerste dag werden verlaagd. En toen moest het beleid nog komen.

Geformeerd in 163 dagen

Er waren sinds de verkiezingen van 29 november 1972 niet minder dan 163 dagen voor nodig geweest om een programma en het daarbij horende kabinet te formeren. Het was een kabinetsformatie die in niets leek op het onderhandelen achter potdichte deuren zoals dat nu gebeurt en ook voor die tijd gebeurde. „We hanteren radiostilte om het proces niet te verstoren” is tegenwoordig het mantra. Het kabinet Den Uyl kwam daarentegen eerder via de radio en andere media tot stand. De opvattingen van de deelnemers aan de formatie arriveerden standaard al bij de journalisten voordat ze bekend waren gemaakt aan de onderhandelingstafel. De informateur, Jaap Burger, deed driftig mee aan de nieuwe openheid. Die schreef messcherpe, polemische open brieven aan zijn gesprekspartners – schrijfsels van zo’n geraffineerde schoonheid dat deze later nog in een apart boekje zijn uitgegeven.

Het strijden binnen het kabinet ging gewoon door nadat de ‘progressieve drie’ (PvdA, D66 en PPR) en de christelijke twee (KVP en ARP) elkaar eindelijk op een regeerakkoord hadden gevonden. Alles was een gevecht, en dat vier jaar lang. Was het principieel? Vaak. Was het karakterologisch? Nog vaker. Was het productief? Bijna nooit.

Het kabinet Den Uyl. Vier hervormingsvoorstellen moesten het streven naar spreiding van macht, kennis en inkomen vormgeven. Geschrokken Nederlandse topondernemers schreven een waarschuwende open brief. Achteraf viel het allemaal wel mee. Natuurlijk, er was wel wat veranderd. Maar zoals het land het altijd al gewend was: met mate. Nederland bleef Nederland: de handeldrijvende, polderende natie met zo nu en dan het opgeheven vingertje.

Een tweede kabinet Den Uyl kwam er in 1977 niet. Den Haag ging terug naar klassiek. Geen spijkerpak meer, maar een minister van Binnenlandse Zaken die in een koets en gekleed in ministersuniform – compleet met steek – het parlementaire jaar aan het Binnenhof kwam afsluiten. Wat bleef was de herinnering aan het kabinet Den Uyl, die in de loop der jaren steeds sterker veranderde in nostalgie. Met voor alle leden van dat zo eigenaardige kabinet de beroemde woorden van de schrijver Nescio. ‘Jongens waren we – maar aardige jongens. Al zeg ik 't zelf. We zijn nu veel wijzer, stakkerig wijs zijn we’.