Spotgoedkope kleding

Wat is er nodig om echt iets te veranderen? De afschuw over de brand in de textielfabrieken in Bangladesh waarbij vorig jaar meer dan 1.100 mensen omkwamen, vooral jonge vrouwen, is weggeëbd. Die afschuw had, voor zover we de klanten mochten geloven die kort daarna door de media werden geïnterviewd, ook nauwelijks invloed op het koopgedrag. Ja, zielig, dat was het wel. De afgelopen weken speelde ook nog de kwestie van Roland Kahn, eigenaar van de kledingketen CoolCat, en de ongefundeerde uitspraken die minister Lilianne Ploumen over Kahns bedrijf deed – een zaak die door hen inmiddels is bijgelegd. Het heeft ons weer eens met de neus op de feiten gedrukt van het omvangrijke probleem van overproductie en overconsumptie, van internationale en soms illegale handelsketens en gebrekkige controle. Met daaronder de steeds prangender vraag naar de manier waarop wij collectief met overvloed omgaan.

Er is een opvallende parallel tussen voedsel en kleding. Beide behoren ze tot de basisbehoeften van de mens. Beide definiëren, tot in de kleinste details, iemands identiteit. In het laat-kapitalistische tijdperk zijn voedsel en kleding in steeds grotere hoeveelheden aanwezig, met een steeds snellere omlooptijd. Niet één soort jam, maar wel tien, wat zeg ik, twintig soorten of meer in elke supermarkt. Kledingwinkels schieten als paddestoelen uit de grond, vooral in lagere prijssegmenten. Wereldwijde ketens met spotgoedkope mode worden overspoeld door jonge vrouwen die voor een prikje een nieuwe outfit op de kop tikken. Tja, waarom zou je een dief zijn van je eigen portemonnee? Niet één zwart T-shirtje, maar vijf, of nog liever twintig met net een iets andere mouw of hals, na een seizoen al weer terzijde gelegd of weggegooid, of in het beste geval weggegeven.

Net zoals het mededogen met de plofkip niet leidt tot een scherpe vermindering van de aankoop van de kiloknaller, zo blijven consumenten goedkope kleding kopen ondanks een vaag besef over belabberde arbeidsomstandigheden en milieuvervuiling. De hypocrisie of onverschilligheid van consumenten kent weinig grenzen. En die jonge consumenten hebben in zekere zin gelijk. Want ook dure merken worden soms onder de vreselijkste omstandigheden gemaakt. Made in Italy betekent zeker niet altijd mensvriendelijker gezien het grote aantal illegale naaiateliers en de inzet van ongeregistreerde arbeid, niet zelden gedomineerd door criminele en maffiose bendes.

Net als bij voedsel, vormt de productie van kleding een ingewikkelde keten met vele typen grondstoffen (wol, katoen, zijde, synthetische vezels en mengsels, kleurstoffen) en talloze producten, geproduceerd door tienduizenden bedrijven en ontelbare arbeiders en boeren. Ingewikkeld ook in de tijd: er gaan ruim twee jaar overheen voor het zaaien van katoen resulteert in een overhemd in de winkel. Het wachten is op een team van onderzoeksjournalisten die dit eens echt wil analyseren.

De weg voorwaarts is even complex. Een convenant voor betere arbeidsomstandigheden is een begin, net als pogingen om kleding te recyclen. Een convenant werkt pas bij certificering en onafhankelijke controleurs, en moet uiteindelijk alle aspecten (arbeid, milieu) omvatten. En iedereen moet meedoen, anders creëren we alleen een oncontroleerbaar parallel circuit. Hoe gebrekkig ook, in de voedselsector is een begin gemaakt met certificering van vis, palmolie en soja. Ook het fraaiste convenant doet niets aan de overvloed op zich. Niets let ons om meer te produceren, om toe te geven aan onze verslaving. Niets, behalve het besef dat productie en consumptie niet een doel op zich zijn; dat er een moment van genoeg is bereikt voor steeds meer mensen in de middenklassen, en dat dat ook bereikt zal worden voor de honderden miljoenen die nu nog weinig kunnen kiezen.