Ook Auschwitz krijgt een plekje in de architectuurles

Is de architectuur van Auschwitz cultureel erfgoed? Jean-Louis Cohen nam het op in zijn architectuurgeschiedenis. „Het zegt veel meer over de architectuur van het Derde Rijk dan de monumentale gebouwen van Albert Speer.”

Een bulldozer aan het werk bij een kolenmijn in Kentucky. 40 procent van de uitstoot van CO2 in de VS komt door kolen. Het is de meest vervuilende energiebron.
Een bulldozer aan het werk bij een kolenmijn in Kentucky. 40 procent van de uitstoot van CO2 in de VS komt door kolen. Het is de meest vervuilende energiebron. Foto AFP

Elke maand pendelt de Franse architectuurhistoricus Jean-Louis Cohen tussen New York, Parijs en Rotterdam. In Parijs en New York doceert hij architectuurgeschiedenis en doet hij onderzoek voor zijn boeken of voor bijvoorbeeld de grote Le Corbusier-tentoonstelling die vorig jaar in het Museum of Modern Art in New York te zien was, en nu in Barcelona is neergestreken.

In Rotterdam is hij hoofd van de programmacommissie van het Berlage Instituut. „Maar ik ben hier vooral voor mijn zevenjarig dochtertje”, zegt Cohen (1949) in café Engels in het Groothandelsgebouw in Rotterdam. „Een week per maand woon ik hier in het prachtig gerestaureerde Justus van Effenblok, de sociaal-democratische utopie die bijna een eeuw geleden werd gebouwd.”

Zeker de afgelopen vijftien jaar publiceert Cohen bijna elk jaar een boek, niet alleen over pioniers van het modernisme als Le Corbusier en Ludwig Mies van der Rohe, maar ook over de architectuur van de Tweede Wereldoorlog. Twee jaar geleden verscheen The Future of Architecture Since 1889 , een hoogst ongebruikelijke geschiedenis van de 20ste-eeuwse architectuur. Anders dan de meeste historici vertelt Cohen hierin niet het grote, lineaire verhaal van de opkomst en ondergang van het modernisme, maar laat hij zien dat in de hele 20ste eeuw de architectuur gefragmenteerd was. Op elk moment in deze turbulente periode bestonden er verschillende, vaak met elkaar tegenstrijdige stijlen, bewegingen en eenlingen.

Nog opmerkelijker is dat u de Tweede Wereldoorlog, anders dan gewoonlijk, niet beschouwt als een een periode van stagnatie. U ziet die juist als een versnelling van de modernisering.

Jean-Louis Cohen: „Ja, en zeker niet alleen omdat bijvoorbeeld de de geëmigreerde ex-Bauhaus-directeur Walter Gropius toen in de VS geprefabriceerde huizen ontwierp. De oorlog leidde ook tot een modernisering van opvattingen en van smaak. De Duitse vrouwen die in de oorlog massaal in de fabrieken werkten, hadden na 1945 andere aspiraties dan een terugkeer naar het aanrecht. En de soldaten die in de oorlog in auto’s rondreden en met walkietalkies in de weer waren, waren gewend geraakt aan moderne techniek.”

U bent de eerste historicus die Auschwitz een plek heeft gegeven in de architectuurgeschiedenis. Maar is Auschwitz eigenlijk wel bouwkunst? Valt het het niet eerder in de categorie pretentieloze bouwsels, zoals schuren en fietsenstallingen?

„Auschwitz is beslist architectuur. Het begon als een industriestadje waar kunstrubber en dergelijke zou worden geproduceerd. Pas in 1942 besloten de nazi’s er een vernietigingskamp van te maken. Aan Auschwitz hebben veel architecten gewerkt, waarbij ik moet opmerken dat het voor hen ook een manier was om de oorlog te overleven. Duitsers die daar werkten, hoefden niet naar het Oostfront. Op vergelijkbare wijze heeft mijn moeder Auschwitz als gevangene overleefd. Ze werkte er als ‘specialiste’ in een chemisch laboratorium en bleef gespaard.

„Voor de onderkomens van de Duitsers zelf werden traditionalistische architecten van de Stuttgarter Schule gevraagd. Maar de fabrieken en het kamp zijn door functionalistische architecten ontworpen. Bauhaus-architect Fritz Ertl heeft bijvoorbeeld het ontwerp voor het vernietigingskamp gemaakt. Auschwitz zegt veel meer over de architectuur van het Derde Rijk dan de monumentale gebouwen van Albert Speer. Het nazisme was tenslotte een mengsel van traditionalisme en modernisme.”

Anders dan de meeste architectuurhistorici heeft u ook veel belangstelling voor totalitaire architectuur. Waarom de architectuur in Mussolini’s Italië en Stalins Sovjet-Unie?

„Ik wil laten zien dat de modernisering in de 20ste eeuw allerlei vormen heeft aangenomen. Modernisering is lang niet altijd verbonden met een doorbraak en verspreiding van het modernisme in de architectuur. Dit kan ook gepaard gaan met oude vormen, met conservatieve architectuur, zoals in nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie onder Stalin. Je hebt trouwens ook modernisme zonder modernisering, zoals de architectuur van Oscar Niemeyer en anderen die in de jaren vijftig en zestig Brasilia bouwden, de nieuwe hoofdstad van Brazilië.”

Nog opmerkelijker is dat u zelfs waardering hebt voor het socialistisch realisme uit de Stalin-tijd. De meeste historici vinden dat populistische kitsch waaraan ze niet al te veel woorden vuil willen maken.

„Het socialistisch realisme is vergelijkbaar met het postmodernisme dat in de jaren zeventig opkwam. Het was een reactie op het modernisme. De kale, abstracte vormen van de Russische constructivisten uit de jaren twintig werden niet erg gewaardeerd door de arbeiders en boeren. Het socialistisch realisme kwam in de jaren dertig tegemoet aan de smaak van het volk.”

Kan architectuur eigenlijk wel totalitair of fascistisch zijn?

„Als monumentale, op klassieke leest geschoeide architectuur fascistisch is, dan staat de grootste concentratie fascistische gebouwen in Washington DC. Niet stijl, niet monumentaliteit en zelfs niet de grote omvang maakt een gebouw totalitair, maar het programma, het doel. Auschwitz was daarom wél totalitaire architectuur en de ondergrondse raketfabriek van de nazi’s in Peenemünde ook.”

Een rode draad in uw oeuvre is Le Corbusier. Hoe komt het dat zo veel historici, en ook architecten nog altijd door hem worden gefascineerd?

„Le Corbusier is onuitputtelijk. Niet alleen ontwierp hij een stad, Chandigarh, en zo’n vijfenzeventig gebouwen die vaak zeer invloedrijk zijn geweest, maar ook schreef hij tientallen boeken. Wat hem vooral zo boeiend maakt, zijn de paradoxen en contradicties in zijn werk. Dat is bijvoorbeeld megalomaan én intiem. Hij wilde een groot deel van Parijs met de grond gelijk maken en besteedde tegelijkertijd veel aandacht aan minieme details. Hij was ook de profeet van het tijdperk van de machine die radicaal wilde breken met het verleden, maar werd niettemin geobsedeerd door de klassieke architectuur van het Parthenon. Eenderde van de foto’s in zijn invloedrijkste boek, Vers une architecture uit 1923, zijn van het Parthenon.”

Le Corbusier was ook een architect die heeft geflirt met bijna alle dictaturen van zijn tijd. Hij bood zijn diensten aan Stalin en Mussolini aan, en het Vichy-regime in Frankrijk.

„Ja, hij deed alles om te bouwen. Maar daarin verschilt hij niet van de meeste andere architecten. De belangrijkste taak van een architect is to get the job, zei de 19de-eeuwse Amerikaanse architect Henry Hobson Richardson. Daarom geloof ik ook niet dat het tijdperk van de ‘iconen’ voorbij is, zoals bijvoorbeeld de Architectuurbiënnale van Venetië in 2012 luid verkondigde. Dat was een biënnale van de goede intenties: de meeste architecten zullen gewoon doorgaan met het bouwen van spektakelgebouwen in landen als de Verenigde Arabische Emiraten en China.”

Uw geschiedenis eindigt dan ook in mineur. Architecten houden zich steeds minder bezig met sociale woningbouw, het tijdperk van de ‘sociale architectuur’ is ten einde. Hoe komt dit?

„Ook in Europa heeft het neoliberalisme terrein gewonnen en wordt de verzorgingsstaat gesloopt. En de markt zorgt nu eenmaal zelden voor sociale woningen. Daar komt bij dat de positie van de architect is veranderd door het oprukken van de markt. Steeds vaker is hij een gewillige medewerker van een projectontwikkelaar in plaats van een bouwmeester die de strijd met een bouwer aangaat om een zo goed mogelijk schoolgebouw te maken. Maar misschien ben ik wel te somber geweest.”