‘Iedereen praat nu in straattaal’

De regisseur maakte een remake van een film over stoere jongens met botkanker. „In het echt zijn patiënten te zwak en misselijk om veel te doen. Ik laat zien hoe ze zouden willen zijn.”

Snelle jongens, ook al zijn ze doodziek, dwalen ’s nachts door ziekenhuis
Snelle jongens, ook al zijn ze doodziek, dwalen ’s nachts door ziekenhuis

Er hangt een zweem van realisme rondom het tamelijk grofgebekte Kankerlijers, de jeugdfilm over een groepje jonge botkankerpatiënten in een ziekenhuis. Maar de kijker moet niet vergeten dat dit soort taferelen meer te maken hebben met de medische realiteit van het Spanje van de jaren 80, dan met die van de Nederlandse ziekenhuizen van nu, legt regisseur Lodewijk Crijns uit. „Kankerlijers is gebaseerd op de ervaringen van Albert Espinosa, een Spaanse schrijver die als jongen kanker kreeg en veel in het ziekenhuis was. Omdat hun land dunbevolkt is, moesten Spanjaarden destijds vaak honderden kilometers reizen om hun kind te laten behandelen. Die kinderen werden in die ziekenhuizen achtergelaten en kwamen in een isolement terecht. Toen we al een eind op weg waren met Kankerlijers, dat gebaseerd is op het Spaanse Planta 4A met script van Espinosa, bleek de situatie voor Nederlandse kinderen heel anders te zijn. Hier gaan kinderen als het kan na een chemokuur ’s avonds gewoon weer naar huis en revalideren doen ze ook niet intern.”

Voelt u de verantwoordelijkheid om de kijker duidelijk te maken dat wat we zien niet conform de werkelijkheid is?

„Het is drama en geen documentaire, dus het hoeft niets uit te maken, maar ik heb het er desondanks moeilijk mee dat het medisch gezien niet ‘klopt’. Maar ik heb in mijn research met veel jonge kankerpatiënten en oncologen gesproken en ik denk dat we wel degelijk iets laten zien wat met de geestdrift en levenslust van jonge kankerpatiënten te maken heeft.

„Zoals Espinosa ook al duidelijk maakt is het vriendschap en de wil om te leven die ervoor zorgen dat kinderen moed houden. We zien pubers die als stoer gezien willen worden en niet als ziek. In het echt komen echt zieke kinderen tot niks, omdat ze er simpelweg te zwak en te misselijk voor zijn. Dus heb ik in de film willen verbeelden wat ze graag willen zijn. Kankerlijers is een low-budgetfilm, dus we konden ons geen dure acteurs of decors veroorloven. Maar wat sowieso overtuigend moest zijn was het acteerniveau van de hoofdrolspelers en het zo geloofwaardig mogelijk maken van die geamputeerde benen. Anders zou het krakkemikkig worden.”

Hoe ver moest u gaan in het aanpassen van wat een ziek kind echt meemaakt?

„Espinosa heeft eerst een toneelstuk over zijn ziekenhuistijd gemaakt. Los Pelones heette dat, wat ‘pylonen’ betekent, maar ook ‘kaalkoppen’. Een geuzennaam dus. In mijn film noemen ze zichzelf dan ook om dezelfde reden met trots ‘kankerlijers’. Om hun groepsgevoel te benadrukken moest het ziekenhuis ook een soort kostschool of tuchthuis worden, een gesloten inrichting waar je maar moeilijk uitkomt. Je bent opgesloten om een reden waar je niets aan kunt doen en moet je maar zien te redden.”

Waarom praten alle jongens straattaal?

„Kom je nog wel eens op een middelbare school? De zoon van een vriend van me zit nu net een half jaar op een middelbare school en die vriend zei tegen me: ‘Hij praat opeens plat Marokkaans-Nederlands.’ Hoe de jongens in de film praten verschilt volgens mij niet veel van het taaltje dat nu erg populair is onder jongeren. Ik heb het script ook voorgelegd aan jongeren die niets met de film te maken hebben en die hebben me aanwijzingen gegeven. Je doet allerlei ontdekkingen. Zo is er bijvoorbeeld het woord ‘kill’, dat wij vertalen als ‘doden’, maar waar jongeren kerel of gozer mee zeggen. Het idee was dat alle drie jongens een eigen achtergrond hebben die veel van elkaar verschilt. We hadden een nette jongen, een schoffie en een hiphopper. Maar wat er volgens mij gebeurt in zo’n groepssetting, en dat zal iedereen beamen die in militaire dienst heeft gezeten of vroeger bij de padvinderij zat: op een gegeven moment treedt er in het taalgebruik een soort uniformiteit op. Een taal wordt dominant en al gauw lult iedereen op dezelfde manier.”

Is het geen probleem om de jongens in een familiefilm flink te laten vloeken?

„Het was in de Spaanse film zelfs heftiger. Ik heb er een gezamenlijke aftreksessie uitgelaten omdat ik me gewoon niet kon voorstellen dat je dat op die leeftijd doet. Die jongens zijn zo grofgebekt omdat ze zich verzetten tegen de opvatting dat ze kinderen zijn. Ze zijn te oud voor de cliniclowns.”