Plasterks alibi overtuigt nog niet

De ministers Plasterk en Hennis gaven gisteren schriftelijke antwoorden op vragen uit de Tweede Kamer. Is het plausibel wat ze beweren?

Ronald Plasterk vorig jaar in de Tweede Kamer.
Ronald Plasterk vorig jaar in de Tweede Kamer. Foto David van Dam

1 „In het publieke debat was de stellige indruk ontstaan dat de Nederlandse veiligheidsdiensten 1,8 miljoen telefoongesprekken van Nederlanders zouden hebben vergaard. De minister van BZK heeft dit beeld willen weerleggen.”

Een vreemde redenering. In de publieke opinie bestond namelijk juist het beeld dat de Amerikánen Nederlandse telefoontjes onderschepten. De Nederlandse informatie over de 1,8 miljoen kwam pas naar buiten via buitenlandse media, waaronder El Mundo en Le Monde. Daarin werd geconcludeerd dat de NSA telefoon- en internetverkeer van Europese bondgenoten afluisterde. Minister Plasterk versterkte dit beeld. Op 21 oktober pikte de website Tweakers een NSA-document over Nederland op, dat Der Spiegel eerder online had gezet. Een dag later zat Plasterk bij Pauw & Witteman. Hij ontvouwde daar de theorie dat het zou kunnen gaan om telefoongesprekken van Nederland naar de VS. Die informatie was onjuist, zo meldt Plasterk nu.

2 „Hierna is er onderzoek ingesteld door de diensten. Ook is er intensief contact geweest tussen de Nederlandse diensten en de NSA [...]. Op basis van dit onderzoek is op 20 november 2013 gebleken dat het in de berichtgeving genoemde getal van 1,8 miljoen hoogstwaarschijnlijk betrekking had op verzameling van metadata van telefoongesprekken door de Nationale Sigint Organisatie (NSO). Dit werd bevestigd door verder intern onderzoek van de diensten.”

Volgens Plasterk en Hennis zijn de diensten AIVD en MIVD na het bekend worden van de 1,8 miljoen (op 21 oktober) begonnen met hun onderzoek. De vraag is waarom het daarna nog een maand duurde voor de diensten om er achter kwamen dat ze de gegevens zélf hadden verstrekt. Uit de beantwoording kan worden afgeleid dat de NSA pas op 20 november Nederland informeerde. Plasterk had de Kamer toen al laten weten dat de 1,8 miljoen zeker níet door de Nederlandse diensten was verzameld. Die redenatie, zo blijkt ook uit de antwoorden, was gebaseerd op een (onjuiste) theorie van de AIVD. De Nederlandse diensten maken daarmee geen sterke indruk.

3 Vraag: „Op welke metadata doelde de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) toen de minister in het debat met de Kamer op 6 november 2013 en bij Nieuwsuur van 30 oktober 2013 over metadata sprak?” Antwoord: „Op dat moment doelde de minister van BZK op metadata van telefoongesprekken met Nederlandse nummers.”

Het interview in Nieuwsuur is het sleutelmoment. Een dag eerder had NSA-directeur Keith Alexander in het Amerikaanse Congres verklaard dat de data waarover zoveel ophef was ontstaan samen met de bondgenoten waren verzameld. Toch hield Plasterk vast aan wat hij eerder had gezegd. De minister maakte daarbij geen onderscheid tussen Nederlandse en buitenlandse gegevens – zoals hij hier beweert – maar sprak over álle data. „Die 1,8 miljoen gesprekken”, zei hij in Nieuwsuur, „zijn niet door de Nederlandse dienst verzameld en dus ook niet door de Nederlandse dienst verschaft aan de NSA.” Op 6 november herhaalde Plasterk dat nog eens in de Kamer. „De verklaring die de NSA heeft gegeven, is dat er kennelijk ook door andere bondgenoten dergelijke informatie met hen is gedeeld. Ik heb al eerder gezegd dat Nederland dat niet heeft gedaan.”

4 „Op 22 november 2013 is het onderzoek afgerond [...] Daarna hebben de Minister van Defensie en de Minister van BZK de afweging gemaakt tussen de plicht om de Kamer zoveel als mogelijk te informeren en het belang van de Staat om in het openbaar niet in te gaan op de mogelijke modus operandi van onze diensten. Het laatste gaf de doorslag. In het kader van de voorbereiding van de civiele procedure over het gebruik van gegevens afkomstig van buitenlandse diensten is er eind januari 2014 een nieuw toetsmoment ontstaan.”

De vraag waarom het zo lang duurde voordat Plasterk de Kamer informeerde, is cruciaal voor het debat. De minister zegt dat hij geen geheime informatie openbaar wilde maken, maar dat argument snijdt geen hout. In het briefje dat Plasterk en Hennis op 4 februari naar de Kamer stuurden, staat alleen in zeer algemene termen beschreven dat er metadata ter beschikking zijn gesteld aan de VS. NSA-chef Keith Alexander had dat in feite ook al gezegd. Dat de rechtszaak tegen de staat de aanleiding was om wél naar buiten te treden, lijkt evenmin geloofwaardig. De staat gaat er in zijn schriftelijke verweer nauwelijks op in. Dat komt omdat de zaak niet draait om gegevens die Nederland heeft gegeven aan de VS, maar om de vraag of Plasterk gebruikmaakt van illegale NSA-data – precies andersom dus. Christiaan Alberdingk Thijm, de advocaat van de eisers, noemt de redenatie van de minister „flauwekul”.

Steven Derix