Naar Rembrandt kijken als een kenner

Fondation Custodia, verzameling Frits Lugt

De bestudering van tekeningen van oude meesters is het terrein van fijnproevers. Dergelijke kunstwerken worden bewaard in albums en dozen die ze vanwege hun fragiliteit en lichtgevoeligheid maar mondjesmaat verlaten. Bevoorrechte specialisten buigen zich over de toeschrijving van zulke bladen. Hun argumenten blijven voor het grote publiek vaak wat schimmig. Zo kan het lijken alsof louter een geoefende kennersblik voldoet om een tekening te verbinden met het werk van een bepaalde meester, of die daar juist uit te lichten en over te hevelen naar het oeuvre van een leerling of tijdgenoot.

Peter Schatborn was tekeningenconservator van het Rijksmuseum en heeft sinds de jaren 60 vele toeschrijvingen voorgesteld. Museum het Rembrandthuis wil met een presentatie van zestig bladen van kunstenaars uit de Hollandse Gouden Eeuw laten zien hoe de tekeningenconnaisseur te werk gaat.

Enkele frappante voorbeelden vallen in het oog, zoals de tekening in zwart krijt van de Staatliche Museen te Berlijn met een voorstelling van een blinde man, een jongetje en een hond. Omstreeks 1650 tekende Rembrandt regelmatig vergelijkbare thema’s in hetzelfde materiaal. Ook deze tekening werd om die reden aan hem toegeschreven, zij het met reserve.

Dat voorbehoud was terecht, want recentelijk dook er een andere tekening op met precies dezelfde voorstelling, maar dit keer met subtieler geaccentueerde gezichten van de figuren en het dier.

Bij nader inzien bleek de tekening in Berlijn daarnaast ook ongerijmdheden te bevatten zoals het ontbreken van een voet van de blinde en schaduwlijnen bij de hondenpoten die de voorstelling van de nieuw ontdekte tekening juist soliditeit verlenen. Het Berlijnse blad bleek een kopie naar een origineel van Rembrandt.

Maar het is moeilijk om op een expositie in een beknopt bijschrift het proces van het toeschrijven toe te lichten. Wie zich dwingt die in een paar zinnen uit de doeken te doen, heeft al gauw te weinig ruimte om vaktermen te verduidelijken. Tegelijkertijd bestaat het risico te vervallen in een tamelijk beperkt vocabulaire. Zo komen de woorden ‘raak’ en ‘treffend’ nogal eens terug in karakteristieken van lijnvoering en uitdrukking. De waarde van zulke termen wordt pas duidelijk in vergelijkingen met werk van anderen. Zo zie je in een figuurstudie van Ferdinand Bol pas de „simplistische vormen” als de „treffend gesuggereerde” figuren van zijn leermeester Rembrandt ernaast worden getoond.

In sommige gevallen lijkt een niet-specialist overgeleverd te blijven aan het oordeel van de kenner met zijn door tientallen jaren studie gescherpte oog. De compositie van een tekening van de stamaanvoerder van de Kaninefaten Brinio die op het schild wordt gehesen, komt bijvoorbeeld overeen met de monumentale schildering die Jan Lievens maakte voor het Paleis op de Dam. Maar op de expositie lezen we als commentaar alleen dat de stijl van de tekening „niet past bij Lievens”, terwijl het blad „op grond van stilistische overeenkomsten” dan weer wel aansluit bij het werk van de minder bekende Rembrandtleerling Constantijn van Renesse.

In de mooi uitgegeven catalogus is de argumentatie uitvoeriger en overtuigender. Meer dan de expositie is het boek dan ook een passende hommage aan het indrukwekkende kennerschap van Peter Schatborn.