‘Laatstse slag voor finish heeft geen zin meer’

Dat stond op 26 mei in nrc.next.
Dat stond op 26 mei in nrc.next.

De aanleiding

Het lijkt alsof schaatsers vaak al ruim voor de finish stoppen met schaatsen, terwijl ze nog een slag kunnen maken. nrc.next-lezer Han Thoman vraagt zich af waarom ze dat doen: „Schaatsers lijken ‘uit te rijden’ in plaats van tot en met de finish voluit te gaan. Dat zou wel eens tienden van een seconde kunnen schelen en wellicht het verschil tussen de medailles kunnen maken.” Maar schaatsers gaan blijkbaar uit van de stelling: het maken van een extra slag kort voor de finish levert geen tijdwinst op. We checken of dat klopt.

En, klopt het?

Het mysterie van het uitglijden kan worden ontrafeld aan de hand van drie zaken: de tijdwaarneming, de schaatshouding en de weerstand.

Allereerst de tijdwaarneming bij het schaatsen. Die is sinds de Tweede Wereldoorlog automatisch. In Sotsji verzorgt horlogebouwer Omega de tijdwaarneming. Daarbij wordt gebruik gemaakt van lichtgevoelige cellen. Twee cellen zijn op verschillende hoogtes geplaatst om het passeren van een schaats bij de finishlijn waar te nemen. Zodra dat gebeurt, stopt de tijd. Het is dus zaak de punt van de schaats zo snel mogelijk over de finish te krijgen.

In het verleden zag je vaak schaatsers hun ijzers naar voren schoppen in een ultieme poging tijdwinst te pakken. Maar dat is sinds 2010 verboden.

De schopbeweging maakte het moeilijk voor tijdwaarnemingsystemen het passeren van de finish te registreren en het was gevaarlijk voor de schaatsers, die zichzelf nog weleens ten val wilden brengen. Nu kunnen schaatsers enkel nog hun schaats over het ijs naar voren schuiven. De vraag is dus hoe ze dat het snelst kunnen doen.

Om optimaal af te kunnen zetten moeten schaatsers in de schaatshouding, diep door de knieën. Daardoor komt het zwaartepunt van de schaatser net iets voor de ijzers te liggen. De schaatser leunt dus in feite naar voren, waardoor de schaats waarop het gewicht niet staat, alleen zijwaarts en naar achter kan bewegen. Dat is tijdens de wedstrijd geen probleem, want een schaatsbeweging is zijwaarts, waarna het been van achteren bijgehaald wordt.

Maar om bij de finish de schaats naar voren te bewegen moet een schaatser omhoog komen en zijn rug rechten. Zo verschuift het zwaartepunt naar achter en kan een schaats naar voren worden geschoven. Doordat de schaatser omhoog komt, ontstaat de optische illusie dat de schaatser stopt met bewegen en opgeeft. Dit is mechanisch gezien echter noodzakelijk. Doen ze dat niet, dan „gaan ze op hun kokosnoot”, zegt schaatscoach Henk Gemser.

Een extra slag maken heeft geen zin. Normaal gesproken moeten schaatsers blijven bewegen om de weerstand die speelt, een combinatie van luchtweerstand en wrijvingskracht van het ijs, te overwinnen. Maar in de allerlaatste meters is het praktisch onmogelijk te versnellen. „Op het laatste rechte eind hebben ze al een hoge snelheid”, zegt bewegingswetenschapper Dionne Noordhof van de Vrije Universiteit. „Die ene laatste slag voert de snelheid niet verder op in de laatste meters.”

Bovendien is de schaatsbeweging zijwaarts, niet naar voren. Een laatste slag kan dus juist tijdverlies opleveren omdat de schaats opzij in plaats van naar voren gaat.

Volgens schaatscoach Gemser loont het niet nog een laatste schaatsslag te maken, mits de afstand tot de finish minder dan zes meter is. Verder dan zes meter van de finish zou de weerstand te veel afremmen en is er nog een slag nodig. Dichterbij de finish zou de zijwaartse beweging net die luttele fractie van een seconde kunnen kosten. De mannelijke sprinters komen met snelheden van bijna 60 kilometer per uur op de finish af tijdens de 500 meter, wat betekent dat ze minder dan een halve seconde over die laatste 6 meter doen. Een schaats naar voren schuiven kan daardoor „duizendsten van seconden opleveren”, aldus Gemser.

Conclusie

In de laatste meters van de rit levert een slag niet iets extra’s op. Een vooruitgeschoven been daarentegen kan wél tijdwinst opleveren. Maar omdat de schaatshouding zo’n beweging niet mogelijk maakt, moet de schaatser omhoog komen waardoor het lijkt alsof hij ophoudt. De schaatsers hebben dus gelijk en we beoordelen de stelling als waar.