Haar rust was haar wapen

Els Borst (1932-2014)

Ze zal herinnerd worden als de minister die in 2001 de eerste euthanasiewet ter wereld mogelijk maakte.

Els Borst in 2012. „Els kan volstaan met het optrekken van haar wenkbrauw”, zei D66-leider Hans van Mierlo in 1997 over haar.
Els Borst in 2012. „Els kan volstaan met het optrekken van haar wenkbrauw”, zei D66-leider Hans van Mierlo in 1997 over haar. Foto Robin Utrecht

Ze was voor velen een onbekende, toen ze in de zomer van 1994 begon in de politiek als minister van Volksgezondheid. Maar niet voor D66-leider Hans van Mierlo die de toen reeds 62-jarige Els Borst vroeg voor het door hem zo vurig bepleite en geforceerde paarse kabinet. Hij had de vicevoorzitter van de invloedrijke Gezondheidsraad al anderhalf jaar voor de verkiezingen op zijn kandidatenlijstje van ministers staan voor als het zover zou komen.

Zo werd Els Borst, op 81-jarige leeftijd overleden, een vakminister voor een vakdepartement. Maar desondanks begroef Borst zich niet in haar portefeuille maar ontplooide ze een bescheiden interesse voor de bredere politiek. Niet voor niets droeg Van Mierlo haar dan ook in 1997 met de woorden „het is een meisje en we noemen haar Els” voor als zijn opvolger voor het partijleiderschap. Hij liet daarmee de jongere D66-garde nog even wachten. Naar Van Mierlo’s overtuiging zou zij zich wel staande weten te houden in het geweld van de andere paarse voorlieden, PvdA’er Wim Kok en VVD’er Frits Bolkestein. „Het gaat er om overeind te blijven tussen deze twee mastodonten. Els kan volstaan met het optrekken van haar wenkbrauw”, zei hij.

De rust die Els Borst wist uit te stralen was inderdaad haar wapen. Niemand kon kwaad op haar worden. Des te meer wist zij mensen voor zich in te nemen. Een „warmte-kracht-koppeling” werd zij binnen de partij genoemd. „Ze heeft qua persoonlijkheid de kracht van Golda Meir. Eenzelfde combinatie van autoriteit en geborgenheid”, zei toenmalig D66-partijvoorzitter Tom Kok.

Al deze positieve kwalificaties maakten overigens op de kiezer minder indruk. Met Els Borst als lijsttrekker verloor D66 bij de Tweede Kamerverkiezingen van 6 mei 1998 tien van de 24 zetels. Het viel mee. „We zijn nog nooit zo hoog gevallen”, stelden D66’ers op verkiezingsavond, want in de peilingen had de partij er nog slechter voorgestaan. De andere smaakmakers van Paars, PvdA en VVD,gingen er met de winst van door.

Hoewel D66 in tegenstelling tot het eerste paarse kabinet niet nodig was voor de meerderheid trad de partij toch toe tot het tweede paarse kabinet onder leiding van Wim Kok. Els Borst werd daarin de tweede vicepremier. Ze genoot, naar eigen zeggen. „In het kabinet had ik de rol van moeder. Als er weer eens een minister ziedend de Trêveszaal was uitgelopen, zei Kok tegen mij: ga jij hem even terughalen”, zei ze eind 2012 in een vraaggesprek met deze krant.

Ze bleef minster van Volksgezondheid. Het werk daar was nog lang niet af. Toen zij in 1994 in de Tweede Kamer voor het eerst haar plannen ontvouwde zei ze dat de hoofdvraag voor de komende jaren was hoe de groei van de kosten van de volksgezondheid – „die soms niet te beteugelen lijkt” – toch kon worden beheerst. Getuige exact dezelfde discussie die twintig jaar later wordt gevoerd is het haar ook niet gelukt een structurele ommekeer te bewerkstelligen.

Borst ondernam wel de nodige pogingen. De zorg werd mede door toedoen van de strenge begrotingsregels van minister Gerrit Zalm (Financiën, VVD) aanvankelijk aan weinig flexibele budgetten gebonden. Het leidde rond de eeuwwisseling tot de beruchte wachtlijsten in de zorg, die later een voedingsbodem voor het succes van Pim Fortuyn zouden blijken te zijn. Fortuyn verweet Borst met de wachtlijsten „meer doden op haar geweten te hebben dan Bin Laden”. Eind 2001, bij het opmaken van de balans van haar twee periodes als minister, stelde zij tevreden vast dat er veel meer geld was uitgetrokken voor de volksgezondheid, maar moest zij tevens toegeven dat de wachtlijsten nog altijd niet waren weggewerkt.

Haar naam staat onder meer dan honderd wetten, wat veel is voor een minister op haar departement, variërend van de basisverzekering ziektekosten waarmee het onderscheid tussen particulier- en ziekenfondsverzekerden kwam te vervallen tot diverse wetten om het roken terug te dringen. Toch zal Els Borst vooral herinnerd worden als de minister die in 2001 de eerste euthanasiewet ter wereld tot stand bracht. Hierdoor is hulp bij levensbeëindiging niet langer strafbaar mits bepaalde zorgvuldigheidseisen in acht worden genomen. „Het is volbracht”, zei zij in een interview met deze krant nadat ook de Eerste Kamer met de wet had ingestemd.

Deze tekst leidde tot verontwaardigde reacties van de kleine christelijke partijen, want dit waren ook de woorden die Jezus volgens de Bijbel op Goede Vrijdag aan het kruis had gesproken. Borst bood haar excuses aan. Ze had zich de godsdienstige connotatie niet gerealiseerd, zei ze.

Na haar ministerschap, zij was inmiddels 70, zat Els Borst in diverse commissies. Ze werd op late leeftijd politicus, op late leeftijd vicepremier, op late leeftijd (80) minister van Staat en op dezelfde late leeftijd bekroond met de Aletta Jacobsprijs van de Rijksuniversiteit Groningen, genoemd naar de arts en feministe die als eerste vrouw naar de universiteit mocht en leefde van 1854 tot 1929. Het was een late erkenning. „Door de grensverleggende wijze waarop zij maatschappelijke problemen op een menslievende manier aan de orde stelde, is zij een ware Aletta Jacobs”, zei het juryrapport.