Vooral in zijn liedjes graaft Paul de Leeuw iets dieper

Hier woont hij, zegt Paul de Leeuw – en we zien een meerzitsbank, een keukenblok en allerlei prullaria die deze huisbakken sfeer nog verder versterken. Het is het toneelbeeld voor zijn nieuwe theaterprogramma Ik ben rustig! dat hij speelt „in het jaar dat ik 52 word”. En die leeftijd is een weerkerend thema, want vroeger kon hij zich naar zijn zeggen nooit voorstellen dat hij ooit 52 zou worden.

Veel meer dan een paar grapjes en enige interactie met het publiek – wat hem altijd voortreffelijk afgaat – levert de leeftijdskwestie echter niet op. De Leeuw vertelt over zijn huiselijk geluk met man en zoons, de crematie van zijn kat, de aard van zijn ontlasting („wat ben ik open, hè?”), puberale homoliefde, wintersport en Scandinavische tv-series met koddige tongval. Maar waar het over gaat, is niet waarlijk van belang. Hij is nu eenmaal een entertainer die alles met snedige terzijdes vermakelijk weet te maken. Alles, behalve een verhaal over een excursie naar Auschwitz, dat volstrekt nietszeggend blijft.

Zo is dit door Ruut Weissman geregisseerde programma een ratjetoe aan ongelijksoortigs – inclusief de appeltaart die hij ter plekke bereidt, een nummertje meezingen met Sing a song van The Carpenters en een handjevol elegante chansons op teksten van Jurrian van Dongen en George Groot.

Het zijn vooral de liedjes die iets dieper graven dan de rest. En die daarom doen vermoeden dat De Leeuw eigenlijk wel iets meer te berde wilde brengen. De stijlvol verwoorde weemoed in zo'n nummer als Homo van negentien-toen ontbreekt in zijn eigen verhalen. Daar komt hij, met zijn onmetelijke routine, heus wel mee weg. Maar hij zou beter moeten zijn.