Opinie

Simone Hangen die man

‘Het gaat wel hoor”, zei de meneer die zijn ronde buik in mijn nek legde, nog voor ik aanstalten kon maken om mijn stoel dichter naar de leestafel te schuiven en hem tussen mij en de muur door te laten. Hij graaide in de waaier kranten.

„Vertrouwen”, zei hij, „Ik zoek vertrouwen.”

Hij bleek De Verdieping te bedoelen, de bijlage van Trouw, waarin ik juist halverwege een verhaal was, maar ik wilde zulke gretigheid niet tegengaan en bood hem ‘mijn’ stuk krant.

„Ik wilde het artikel toch niet uitlezen”, zei ik, omdat een aardig gebaar de ontvanger kan generen en ik mijn onbaatzuchtigheid wilde maskeren.

De man schoof terug en dit keer was ik op tijd om mezelf klein te maken.

„Ach, over een jaar bestaat het allemaal niet meer.” Even dacht ik dat hij het over de wereld had, of in ieder geval over ons, op zondag in de koffietent, de barista met een muts waar YOLO op stond. Maar het ging hem om de krant, die hij op tafel spreidde. „Computers nemen alles over.” En de zijne had sinds kort een virus.

Ik boog mij over de Volkskrant, probeerde ‘stoor mij niet’ uit te stralen en las over de 24-jarige Lara. Haar artsen hadden fouten gemaakt, verkeerd geschat, een te milde diagnose. Het onderschrift bij haar foto luidde: ‘Lara Jongbloets lijkt genezen na 42 weken kuren, kotsen en kaalheid.’ De koppenmaker was vast tevreden met die drie treffende K’s, alliteratie vol ellende, de harde klank van kanker.

De man schoof zijn krant naar mij toe, tikte op een artikel over de zaak tegen Ernst Jansen (Steur). „Hangen die man.”

Hij wees op zijn grijze krullen, trok een scheef gezicht: „In mijn hoofd was ook iets mis, maar de enige neuroloog die wel bij mij binnen wilde kijken, was een vrouw. Wilde ze de hele tijd afspreken. Pure seksuele intimidatie! Ik wilde gewoon weten wat het probleem was.”

Een uitgebreide uiteenzetting volgde, over hoe bacteriën met stamcellen meereizen en het hele lichaam infecteren. Dat wist-ie uit een boek, „van een Amerikaan, die nemen problemen tenminste serieus”.

Aan de andere kant van de tafel keek een jongen op van zijn laptop. Licht beschaamd om me in een situatie te bevinden waar ik zelf geen zeggenschap over had, probeerde ik geëngageerd (gefronste wenkbrauwen) te kijken, alsof dit een conversatie was, geen monoloog.

Mijn plotse interesse werkte onverwacht treffend: „Ach, ik houd op, want áls ik eenmaal begin...”

Hij tikte nog een keer op het hoofd van Ernst Jansen – „Hangen!” – en bladerde hem toen uit de weg, streek de volgende pagina glad, aaide over een foto vol oorlogsgeweld.

Hij aaide wat hem vertrouwd was: ellende en slecht nieuws.