Jarenlange ‘inlichtingenruilhandel’ heeft een wankele juridische basis

Nederland deelt al jaren inlichtingen met andere landen. Maar mag dat?

In het oog van de politieke storm kijkt iedereen naar de poppetjes. Wat wisten ministers Ronald Plasterk en Jeanine Hennis-Plasschaert over de 1,8 miljoen dataregels over telefoonverkeer die werden gedeeld met de NSA? En wannéér wisten dat ze dat precies? Over die vragen gaat het politieke debat morgen.

Daarmee raakt de zaak zelf – Nederland spioneert voor de VS – op de achtergrond. Net als de constatering dat het op grote schaal delen van zogeheten metadata wettelijk niet goed geregeld is.

Daarover bestaan zoveel vragen dat de commissie-Dessens, die de wet onlangs evalueerde, vindt dat de wet opnieuw moet worden bekeken.

Hoe het delen van informatie in de praktijk werkt is inmiddels op hoofdlijnen wel duidelijk. Nederland, zo bevestigen bronnen in Den Haag, heeft een bilaterale overeenkomst gesloten met de VS voor het delen van ‘Signal Intelligence’ (Sigint). Satellietschotels in het Friese Burum onderscheppen telefoonverkeer uit landen als Somalië en Afghanistan.

De verkeersgegevens van de opgevangen gesprekken (wie belt met wie, op welk tijdstip, en met welk nummer) worden doorgespeeld naar de NSA. Daarbij gaat het om grote hoeveelheden: 1,8 miljoen dataregels alleen al in december 2012.

Het delen van ‘bulkdata’ door inlichtingendiensten is niet nieuw. Nederland werkt al tientallen jaren met een aantal Europese landen bij het verzamelen van ‘Sigint’, jargon voor signal intelligence. Andere landen kunnen satellieten afluisteren die buiten het bereik van Burum liggen. Sigint-capaciteit is bovendien duur en schaars; door informatie te delen kunnen ook kleine diensten als de AIVD en MIVD een redelijke informatiepositie opbouwen.

Maar de juridische onderbouwing van deze internationale ruilhandel is wankel. Artikel 59 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv) uit 2002 biedt de ruimte voor „het onderhouden van verbindingen met daarvoor in aanmerking komende inlichtingen- en veiligheidsdiensten van andere landen”.

Daarbij kunnen „gegevens” aan andere diensten worden verstrekt en kan er „technische assistentie” worden verleend. Maar de wetgever lijkt vooral aan incidentele samenwerking te hebben gedacht: het delen van een bepaald rapport, of het gezamenlijk afluisteren van een mogelijke terrorist. Voor elke vorm van samenwerking is namelijk expliciete toestemming van de minister nodig, zo staat ook in artikel 59 van de Wiv. Dat verhoudt zich slecht tot de huidige samenwerking met de NSA, waarbij grote hoeveelheden data worden doorgesluisd.

Tegenover de commissie-Dessens, die vorig jaar de wet evalueerde, beklaagde de AIVD zich over „te strikte eisen en procedurele regels” bij de „uitwisseling van bulkdata bijvoorbeeld in het kader van samenwerking op Sigint terrein.” Ook de militaire inlichtingendienst MIVD merkte op dat „complexere vormen van samenwerking op het gebied van Sigint” worden bemoeilijkt door de rompslomp die gepaard gaat met artikel 59.

De evaluatiecommissie vindt dat het wettelijk kader van dit wetsvoorstel heroverweging verdient, schrijft Dessens in zijn rapport. Volgens de commissie moet er nog eens goed worden gekeken of de huidige wet „voldoende rechtstatelijke en democratische garanties” bevat. „Mede in het licht van de recente discussies over de NSA.”