In Groningen verzaakte de staat de plicht te beschermen

Minister Kamp (Economische Zaken, VVD) had het vorige week niet erg moeilijk toen de Kamer de compensatie voor het gasleed in Groningen besprak. Er komt veel geld beschikbaar, veiligheid staat voortaan voorop en de productie wordt verminderd. Maar de motie van GroenLinks en de Partij voor de Dieren om het voorzorgbeginsel uit het Verdrag van Aarhus naar de letter uit te voeren (‘alleen als het schoon en veilig kan’), daar ziet het kabinet liever vanaf. Dat is allemaal al netjes in onze wetgeving verwerkt, dus dat voegt niets toe, zo luidde zijn standaardverweer.

En toch schuilen daar addertjes onder het gras. Politiek mag de zaak dan onder controle zijn, als deze kwestie ooit de rechtszaal bereikt, staat de overheid er zwak voor. Dankzij het Staatstoezicht op de Mijnen weten we dat bewoners van de gasvelden hogere risico’s lopen dan de burgers van de rest van Nederland. De NAM heeft het ‘winningsrisico’ de afgelopen jaren onderschat. De overheid is laat met maatregelen, misschien te laat.

Het besluit dat nu is genomen – het lokaal verminderen van de productie – noemde de Inspecteur-generaal der Mijnen, Jan de Jong, een noodmaatregel waarvan pas over een jaar gunstig effect is te verwachten. En dat effect is bovendien over drie jaar al verdwenen. „De samendrukking van het gesteente loopt dan weer in de pas met de rest van het gesteente.” Wie in het winningsgebied in een ‘niet versterkt bakstenen huis van voor 1920’ woont, loopt een groter risico dan volgens internationale bouwcode-normen acceptabel is. Daar gaan slachtoffers vallen, zo lijkt nu aannemelijk.

Kortom, de overheid is vermoedelijk te laat om aansprakelijkheid voor huidige of toekomstige schade nog te kunnen afweren. En dat weet het kabinet. Eind november kreeg minister Kamp een beknopt briefje van het College voor de Rechten van de Mens, waarin de regering eraan werd herinnerd dat volgens standaard Europese jurisprudentie de burger recht heeft op veiligheid, gezondheid en „respect voor het familie- of gezinsleven en zijn woning”. En dat de overheid een „positieve verplichting” heeft om die te beschermen. Gebeurt dat niet, dan is het denkbaar dat het Hof in Straatsburg Den Haag dwingt om de gasvelden te sluiten of de burgers adequaat te compenseren. Eerder oordeelde Straatsburg over de aansprakelijkheid van de Turkse en de Roemeense overheid voor de schade bij een methaanexplosie op een vuilnisbelt en het vrijkomen van cyanide na een dambreuk. Het instorten van je huis omdat de staat het gas eronder nodig heeft, ligt juridisch niet echt anders.

Ieder land dat lid is van de Raad van Europa, moet zich houden aan dat ‘voorzorgbeginsel’ – dat omvat ook de plicht om tijdig effectieve en proportionele maatregelen te treffen zodat ernstige en onomkeerbare milieuschade wordt voorkomen. Het is zeer de vraag of dat hier is gebeurd. De Kamer zou morgen maar eens vóór die motie over het Verdrag van Aarhus moeten stemmen. Voor Groningen lijkt het te laat, maar een stok achter de deur is geboden.