Een schooladvies, en graag wat cijfers

Het voortgezet onderwijs mist straks de Citoresultaten om te beoordelen of een leerling wordt toegelaten. Wat wordt de nieuwe ‘poort naar het geluk’?

Foto Olivier Middendorp

Wie komend schooljaar naar het Stedelijk Gymnasium in Breda wil, moet minstens 545 punten halen bij de Cito-eindtoets die morgen begint. Vanaf 2015 wordt de toets halverwege april afgenomen en speelt hij een veel minder bepalende rol bij het vervolg van de schoolloopbaan van leerlingen uit groep 8. „Maar nu vragen we naast een stevig vwo-advies nog gewoon een score van 545”, zegt rector Hetty Mulder. „Zoals we dat al jaren doen.”

De Tweede Kamer ging vorig jaar akkoord met het plan van staatssecretaris Sander Dekker (Onderwijs, VVD) om de eindtoets in het basisonderwijs verplicht te maken. Momenteel doet zo’n 15 procent van de scholen niet mee aan de Citotoets. Om ervoor te zorgen dat de eindtoets niet nog belangrijker zou worden – een soort eindexamen voor de basisschool – werd het afnamemoment naar achter geschoven, van half februari naar half april. Het schooladvies van de leraar in groep 8 moet daarmee „leidend worden”, aldus Dekker.

Vanaf volgend jaar moeten de scholen in het voortgezet onderwijs hun aannamebeleid dus aanpassen. De meeste scholen denken daar al hard over na. Zo ook het gymnasium in Breda, zegt Mulder, samen met de andere scholen in de stad. „We houden behoefte aan een tweede objectief criterium, naast het advies van de leraar. Dat geldt zeker voor het gymnasium. Niet alle leraren in het basisonderwijs – en ik zeg dit niet als diskwalificatie – weten wat nodig is om het op het gymnasium tot een succes te maken.”

De wens van Mulder is niet vreemd. Integendeel, de wet schrijft zelfs voor dat er naast het advies van de leraar nog een objectief toelatingscriterium gehanteerd wordt. Dat zou de Citotoets of een andere eindtoets moeten zijn, maar omdat de resultaten daarvan pas rond 10 mei beschikbaar komen, zijn die in de praktijk alleen nog bruikbaar om in te grijpen als er een grote afwijking tussen schooladvies en toetsuitslag zit. Scholen die eerder in het proces de beschikking willen hebben over harde cijfers, moeten dus naar alternatieven op zoek.

Een rondgang langs middelbare scholen in Nederland leert dat die zoektocht in volle gang is. Bart Vieveen van het Stedelijk Gymnasium in Leiden zegt dat zijn school dit jaar de resultaten van de Citotoets gaat vergelijken met gegevens uit het leerlingvolgsysteem dat alle basisscholen verplicht bijhouden. „Ook kijken we naar de resultaten van de entreetoets die leerlingen maken aan het begin van groep zeven. We zijn benieuwd of die gegevens een goede voorspeller zijn van de Citoscore.”

Rector Aat Harms van de Koninklijke Scholengemeenschap Apeldoorn is voorzitter van het overleg tussen het primair en voortgezet onderwijs in zijn gemeente. Ook hier bereiden scholen zich voor op de nieuwe situatie van het komend jaar. „Het advies van de leraar is op mijn school al heel belangrijk”, zegt hij. „We bekijken dat in combinatie met het leerlingvolgsysteem. Dat geeft een betrouwbare eerste indruk, die wordt ondersteund door de Citoresultaten.”

Als een leerling met een vwo-advies een Citoscore van 538 haalt, dan is dat reden om dieper in de gegevens van het leerlingvolgsysteem te duiken, zegt Harms. „Als we geen verklaring vinden, dan zou dat erop kunnen duiden dat zo’n leerling faalangst heeft en last had van de druk rondom de Citotoets. Dat is goed om te weten.”

Nu de Citotoets vanaf volgend jaar later wordt afgenomen, gaat het belang van andere tussentijdse toetsen toenemen, denkt Harms. „De entreetoets in groep zeven zal dan in de ogen van sommigen de poort tot het geluk worden. Dan wordt het aanlokkelijk om daarop te oefenen. Zinvol is dat niet, want die toets legt vast wat een kind kan op dat moment. Een leerling is er niet bij gebaat als die gegevens vertekend raken. Daarover moeten scholen met ouders in gesprek.”

Jan van Hees, sectordirecteur brugklassen van het Christelijk Lyceum Veenendaal, zegt dat zijn school in de toekomst geen gebruik zal maken van de gegevens van de entreetoets. „In twee jaar tijd kunnen kinderen een grote ontwikkelingsprong maken.”

Wel doet Van Hees onderzoek naar een methode waarin hij de belangrijkste gegevens uit het leerlingvolgsysteem kan verwerken, zegt hij. „Maar de ‘warme overdracht’, het gesprek over leerlingen met de basisschool, blijft het belangrijkste.”

Er zijn ook scholen waar volgend jaar helemaal niets verandert, zoals de christelijke scholengemeenschap Vincent van Gogh in Assen. Daar speelt de Citotoets al een beperkte in het aannamebeleid, zegt Klaas Bijl, sectorleider van klassen 1 en 2 van havo en vwo. In 2010 ontwikkelde hij een eigen ‘plaatsingswijzer’ en deed een pilot met twee basisscholen in Assen. Inmiddels doen alle 25 christelijke basisscholen in de omgeving mee.

Bijl legt uit hoe het systeem werkt. „We kijken naar de scores op het gebied van begrijpend lezen en inzichtelijk rekenen in de groepen 6, 7 en 8. Daarvoor kan je de cijfers 1 tot en met 5 halen. Wie een 1 scoort, zit bij de beste 20 procent van de Nederlandse leerlingen van zijn leeftijd, wie een 5 haalt, zit bij de slechtste 20 procent. Al die cijfertjes stoppen we in een database en dat geeft een prima indicatie van het niveau van een leerling. Wie vooral eentjes heeft, hoort waarschijnlijk op het vwo thuis.”

Volgens Bijl is het zeker niet zo dat een leerling met een druk op de knop zijn plaats krijgt toegewezen. „Het advies van de leraar van de basisschool blijft het belangrijkste. We kijken altijd naar het kind achter de cijfers. Maar al is een leerling hartstikke gemotiveerd en wil hij van alles, als hij nergens eentjes scoort, gaan we hem niet op het vwo plaatsen.”