Drama ontbreekt in duffe Dantons Dood

speelt in regie van Johan Simons een radicale bewerking van Büchners stuk over Franse revolutie

Halina Reijn, in vier verschillende vrouwenrollen, enHans Kesting als de gekwelde Danton, brengen nog wat leven in deze uitvoering van Dantons dood. Foto jan versweyveld

Wat bezielt regisseurs om Dantons Dood van George Büchner op te voeren? Wat ze er ook voor betekenis in zien, ze slagen er niet in die over te brengen op het publiek. Vorig jaar was van Toneelschuurproducties in regie van Joost van Hezik een gaapverwekkende uitvoering van het stuk te zien en nu speelt Toneelgroep Amsterdam een voorstelling die niet minder duf is.

In Dantons Dood voert Büchner Robespierre en Danton op, leidende figuren van de Franse Revolutie, die in onmin leven over de vraag hoe de maatschappij vijf jaar na de revolutie veranderd dient te worden en met welke middelen. De twee mannen hebben daar, net als enkele bijfiguren, hun eigen theorie over.

Ter overtuiging van de ander houden ze redevoeringen die bol staan van het gezwollen taalgebruik. Goede retorica verleidt de luisteraar en palmt hem in, maar deze betogen zijn nodeloos abstract en ontberen structuur. Ze blijven dode letter. „Moet de geestelijke natuur in haar revolutie meer scrupules hebben dan de fysische?” vraagt een vrouw bijvoorbeeld. „Moet een idee evengoed als een bed der fysica kunnen vernietigen wat haar weerstaat?” Enzovoort.

Danton pleit voor hedonisme en Robespierre voor deugdzaamheid. Danton verwijt Robespierre onschuldigen te offeren, Robespierre vindt dat Danton „de paarden van de revolutie stil wil laten houden bij het bordeel”.

De achilleshiel van dit belerende stuk is het ontbreken van echte dialogen. Er zijn wel gesprekken, maar de personages zijn ondergeschikt aan hun redeneringen. Drama ontbreekt. En wie theater zonder dialogen wil zien, kan net zo goed een tandartsencongres bezoeken.

Ook regisseur Johan Simons krijgt ondanks een radicale bewerking geen beweging in dit looiige leerstuk. Ter bezwering van de hoogdravende teksten laat hij Gijs Scholten van Aschat als Robespierre en Hans Kesting als Danton voornamelijk zo kalm en afgemeten mogelijk spreken.

Bij Scholten van Aschat heeft het tot gevolg dat deze topacteur, waarschijnlijk voor het eerst in zijn carrière, geheel geen uitstraling heeft. Alleen als Robespierre stelt dat de oude mens nog niet dood is, dat de kracht van de nieuwe mens zijn deugd is en zijn wapen de terreur, vestigt hij de aandacht op zich. Verder is zijn rol een witte vlek in de voorstelling.

Kesting legt meer elan in zijn spel en heeft ook de gelaagdere rol. Tegenover de bloeddorst van Robespierre en de zijnen, die elke dwarsligger naar de guillotine brengen, staat zijn twijfel. Hoe kan de mens zichzelf opvoeden en ontwikkelen als de mens zelf het probleem is, vraagt Danton zich af.

Als Danton in het gevang is gegooid en in afwachting van zijn berechting is, kan Kesting, gekromd en vermoeid, een tirade tegen het bewind van Robespierre uitspreken. Tegen het volkstribunaal roept hij gepassioneerd: „U heeft honger, zij geven u koppen in plaats van brood. U heeft dorst, zij laten u het bloed van de guillotine likken.” Hij toont een vuur dat in deze voorstelling snel weer dooft.

Tussen Kesting en Scholten van Aschat in speelt Halina Reijn maar liefst vier vrouwenrollen. Weliswaar duurt het maar twintig minuten voordat Reijn als een blij hert met blote borsten over het podium moet huppelen, maar ze weet de teksten van Büchner wel te zeggen alsof ze ook bedoeld zijn om uitgesproken te worden door levende mensen. Of ze nu stelt dat de vrouw het lot van iedere teef treft en willoos mikpunt van begeerte is, of dat ze het recht op een plek achter het spreekgestoelte voor de vrouw opeist.

De woordloze beelden van begin en eind zijn het sterkst in deze Dantons Dood. Bij aanvang steekt een vrouw tientallen kaarsen op een tafel aan, terwijl de Zevende van Beethoven hard klinkt. Aan het slot nemen honderd wijkbewoners bezit van het podium. Een memorabel beeld dat de voorstelling spiegelt: daar zien we de mensen die drie uur lang door de taal verborgen zijn gehouden.