Opinie

De nacht van Sven

Sven Kramer kon de klok erop gelijk zetten. Ja hoor, daar kwam die lawaaishuttle weer aan. Onder zijn slaapkamerraam stopte de bus bij de halte. Terwijl de motor stationair draaide, stapten de passagiers uit.

Vier jaar lang leefde hij in perfectie toe naar Sotsji en uitgerekend nu, luttele uren voor de vijf kilometer, ging een bus in het olympisch dorp zijn nachtrust verstoren. De voeten van Sven trapten het dekbed alle kanten op. Woelen en draaien.

Wat moest hij?

Even verderop in Sotsji lag de koning vast lekker ontspannen te slapen. De ribfluwelen broek en de lamswollen trui hingen klaar aan het knaapje. De vorst kende geen twijfel.

Zijn Sven ging goud binnenslepen.

Niemand, behalve de schaatser zelf, kon voelen hoe zwaar de druk op zijn schouders was. Er kon er maar één verliezen en dat was hij, de grote Sven Kramer.

Daar was die bus weer; ronkende motor, deuren open, dicht en door.

Met prikogen keek Sven rond in zijn kamer: dit was het leven van een topsporter. Leven in hotelkamers die je privé nooit gekozen zou hebben, met de laptop en smartphone als je beste vrienden.

Sven dacht aan de schaatsbaan van Sotsji. Na de trainingen kende hij de kwaliteit van het ijs. Hij wist: 6 minuten en 10 seconden is de winnende tijd. Hij moest rondjes rijden van 29 seconden, dan ging het goed. De hele week tolden de getallen in zijn hoofd.

De bus kwam weer aan bij de halte.

Verdomme, wedden dat zijn Nederlandse concurrenten wel door het lawaai heen konden slapen? Sven bleef klaarwakker. Terwijl hij naar het plafond staarde, begon hij de gewenste rondetijden op te noemen. Hardop, als een mantra: 29, 29,29.

Ging hij uit bed stappen om een stoel door de voorruit van die kloteshuttle te flikkeren?

Ach, eigenlijk deed die arme buschauffeur precies wat Sven tijdens zijn race ook moest doen: rondjes rijden op een exact tijdschema.

Sven deed zijn ogen dicht. Met machtige slagen denderde hij over het ijs. Iedere ronde leek op de vorige ronde. Dit ging niemand hem nadoen.

„Dit is vakwerk”, vertrouwde Sven zijn kussen toe en zakte weg.

De Russische chauffeur van de shuttle keek op zijn horloge. Hij maakte zich op voor zijn zoveelste rondje door het olympische dorp.

De volgende dag won een niet uitgeslapen, gespannen Sven Kramer op magnifieke wijze goud. 29 werd zijn geluksgetal. De rit was een ode aan de regelmaat geweest. De verschrikkelijke piekernacht verdween snel uit zijn hoofd.

Als een echte koning wuifde Sven zorgeloos met een bloemstukje naar zijn volk.