De Britten weten nauwelijks wat ze herdenken

Ook in het Verenigd Koninkrijk wordt de Eerste Wereldoorlog uitgebreid herdacht. Maar de Britten hebben een eenzijdig beeld van The Great War, bleek uit onderzoek. De satirische televisieserie Blackadder wordt verward met geschiedschrijving.

Het silhouet van een in de Eerste Wereldoorlog gestorven soldaat, die in de winter omkwam maar pas in de lente werd gevonden. De afbeelding maakt deel uit van de Royal Photograph Collection, die wordt beheerd door de universiteit van Cambridge. Wie de begeleidende tekst schreef, is niet bekend.
Het silhouet van een in de Eerste Wereldoorlog gestorven soldaat, die in de winter omkwam maar pas in de lente werd gevonden. De afbeelding maakt deel uit van de Royal Photograph Collection, die wordt beheerd door de universiteit van Cambridge. Wie de begeleidende tekst schreef, is niet bekend. Foto Rex Features/ Hollandse Hoogte

Nick Miller heeft grootste plannen. In de kathedraal van Norwich wil hij een toneelstuk laten opvoeren, met halverwege het middenschip een doek met foto’s van het slagveld. Er zullen Britse oorlogsliederen worden gezongen. En misschien komt prinses Anne wel, de dochter van koningin Elizabeth.

De enthousiaste amateur-historicus droomt van „een verhaal van vrede”. En Norwich’ beroemdste inwoonster leent zich daar bij uitstek voor. Verpleegster Edith Cavell die de avond voor haar executie door de Duitsers in 1915 zei: „Nu ik hier sta, in het zicht van de Heer en de eeuwigheid, besef ik dat vaderlandsliefde niet genoeg is. Ik moet daarnaast geen haat of bitterheid voor wie dan ook voelen.” Die woorden staan gebeiteld in haar grafsteen.

Miller, die het Cavell-archief beheert, leidt rond. Langs Cavells geboortehuis in het dorpje Swardeston. Langs de kerk waar haar vader preekte en het zonlicht door een glas-in-lood-raam met haar beeltenis schijnt. En langs het oorlogsmonument met elf namen, waar ook de Cavell-fietsroute langs zal voeren.

Er is één probleem. Áls de gemiddelde Brit al een helder beeld heeft van ‘the Great War’, wie weet nog wie Edith Cavell is? Zelfs in de Cavell-pub in Norwich blijven klanten het antwoord op die vraag schuldig. De gemiddelde Brit denkt bij de Eerste Wereldoorlog aan bloed en modder. Aan het offer van de bijna één miljoen ‘glorious dead’, zoals het herdenkingsmonument op Whitehall in Londen vermeldt.

De symbolen van de Eerste Wereldoorlog zijn alom aanwezig: oorlogsmonumenten in ieder dorp, regimentsvlaggen in vrijwel iedere kerk. En de klaprozen die men in november trouw opspeldt ter herdenking van de gesneuvelden.

Maar: „Over de beelden van modder, loopgraven en prikkeldraad – en troepen die voetbal speelden tijdens het kerstbestand – daalt de oorlogsmist, en gaat de Eerste Wereldoorlog verloren in de Tweede”, concludeert British Future. Deze denktank onderzocht in opdracht van het Centenary Partnership, dat de Britse herdenkingen coördineert, of 1914 er in 2014 nog toe doet.

„Wij Britten kunnen onszelf niet zien zonder beide oorlogen”, zegt Sunder Katwala, directeur van British Future. „De meesten van ons beseffen dat ze onze identiteit hebben gevormd. Maar zeker van de Eerste Wereldoorlog weet men weinig af.”

Vóór 1914 was het Verenigd Koninkrijk – toen nog met Ierland – een zelfverzekerd, welvarend land. Een wereldrijk wiens macht, met name op zee, geen grenzen kende. De burgers deden hun plicht voor hun land, en kenden hun plaats in de klassenmaatschappij.

Na 1918 voelde het Verenigd Koninkrijk zich niet langer een eiland. Aan dat idee hadden de Duitse bombardementen een einde gemaakt. Van de 14.000 gemeenten in Engeland en Wales waar mannen als soldaat vertrokken, zagen slechts vijftig iedereen terugkeren.

De marine was niet onoverwinnelijk gebleken, het rijk begon af te brokkelen – al in de oorlog kwamen de Ieren in opstand. Mannen die zij aan zij ontberingen hadden doorstaan en vrouwen die tijdens de oorlog hadden gewerkt, stelden de oude hiërarchische verhoudingen op de proef. Met als gevolg dat de working class in 1918 stemrecht kreeg. De staat werd verantwoordelijk voor onder meer huisvesting, bijstand en gezondheidszorg.

Die positieve gevolgen zijn vergeten. „In de jaren zeventig ontstond het gevoel dat de Eerste Wereldoorlog de wortel is van alles wat mis is met ons land”, zegt Mark Connelly, hoogleraar Modern British Military History aan de Universiteit van Kent. Hij schreef het boek The Great War, Memory & Ritual. „Het Verenigd Koninkrijk verloor zijn greep op de wereld , en men wilde weten wanneer het verval had ingezet.”

Dat moest wel tijdens de ‘zinloze’ oorlog van 1914 geweest zijn. Maar dat is beeldvorming, zegt Connelly. „In de jaren twintig en dertig was de Grote Oorlog nog de ‘war to end all wars’. Dat was na de Tweede Wereldoorlog niet meer vol te houden. Men begon het morele gehalte van 1914 in twijfel te trekken.”

Dat gevoel werd versterkt in de jaren zestig. „De grote generaals waren dood, de laatste veteranen vertelden over dood, ontberingen, modder en eindeloos wachten. Een emotioneel, vereenvoudigd beeld van de oorlog ontstond.”

Het is een Britse fixatie, zegt Connelly, om over de Eerste Wereldoorlog te denken in termen als ‘veel bloedvergieten dat weinig opleverde’. „Men is geneigd over het hoofd te zien dat ook in juli 1944 in Normandië eindeloos werd gewacht, en dat het aantal slachtoffers daar dat van de Slag aan de Somme oversteeg.”

Wat dat betreft had minister van Onderwijs Michael Gove gelijk, vindt Connelly, toen die zich er in de Daily Mail over beklaagde dat „ons idee van de oorlog is gestoffeerd met onbegrip en vertekening”. De minister verwees naar onder andere de tv-serie Blackadder Goes Forth waardoor „velen het conflict zien als een serie van rampzalige fouten die een elite maakte”.

„Het idiote is inderdaad dat Blackadder op sommige scholen wordt gebruikt als een documentaire over de loopgraven van 1916, en niet als een satire”, beaamt Connelly. „Alsof je de Slag bij Hastings uit 1066 laat uitleggen door Monty Python.”

De vertekening, zegt historicus Dan Todman, komt niet van historici. Hij is auteur van het boek The Great War, Myth and Memory, en werkte mee aan het onderzoek van British Future. „Het idee dat de oorlog zinloos was en er stomme beslissingen werden genomen, is altijd betwist.” In tegenstelling tot wat Gove en historici vrezen, is het niet zo dat Blackadder het beeld over de oorlog bepaalt. „Veel mensen hebben juist geen enkel beeld”, zegt hij.

Uit het onderzoek bleek dat slechts eenderde van de ondervraagden ‘basiskennis’ had: de oorlog begon in 1914, Duitsland was erbij betrokken, mensen stierven. Dat de aanslag op de Oostenrijkse aartshertog Franz Ferdinand de oorlog uitlokte, wist bijna de helft. Maar waarom de Britten er bij betrokken raakten, wist vrijwel niemand. Noch wie de Britse premier toen was. „Het enthousiasme om te herdenken gaat gelijk op met historische verblinding”, signaleert Todman.

Want de Britten zullen gaan herdenken, voorspelt hij. Al wordt het misschien niet de herdenking waarop premier Cameron hoopt: eentje die „net als het regeringsjubileum van koningin Elizabeth, iets zegt over wie wij zijn”. De argwaan dat hij een patriottistische viering van oorlog verlangt, is groot. Todman denkt eerder dat het individuen zijn die herdenkingsprojecten bedenken, net als na de oorlog, toen plaatselijke gemeenschappen monumenten oprichtten. Dus zoals Nick Miller met zijn Cavell-festival. Hij zegt: „Misschien is men volgend jaar het herdenken van bloedige veldslagen zat. Dan is het verhaal van Edith een verademing.”