Bulgaarse bèta's zijn ook hier hard nodig

Werkgevers, zorg dat getalenteerde Oost-Europese werknemers zich ook langer redden in Nederland, manen Monique Kremer en Erik Schrijvers.

Illustratie christo komarnitski

De eerste Roemeense en Bulgaarse werknemers hebben zich inmiddels gemeld. Volgens minister Asscher zijn dat 42 Roemenen en 50 Bulgaren. Hier en daar hoor je een zucht van verlichting, de discussie over aantallen lijkt inmiddels wat getemperd. Daarom is de tijd rijp om verder vooruit te kijken. Want er zijn niet alleen zorgen over Europese arbeidsmigratie maar ook onbenutte kansen. Kijk bijvoorbeeld eens naar de hoge studentenaantallen in Nederland uit Bulgarije en Roemenië.

Tot nog toe bleken de economische baten van Europese arbeidsmigratie in Nederland – en elders in Europa – groter te zijn dan de kosten ervan. Recent Zweeds onderzoek toont aan dat dit ook opgaat voor de Roemenen en Bulgaren die daar al eerder mochten komen. Bovendien zijn er weinig empirische aanwijzingen gevonden voor bijstandstoerisme.

Toch moeten we ons zorgen maken, vooral over de onderkant van de arbeidsmarkt. De nu al aanwezige Roemenen hebben een hoger opleidingsniveau dan bijvoorbeeld de Polen. Maar onder hen zijn ook veel lageropgeleiden. En vooral veel Bulgaren hebben een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt. Zullen de arbeidsmigranten dat werk wel kunnen behouden? Een positief saldo voor de schatkist en de samenleving hangt namelijk af van de integratie van vestigingsmigranten op lange termijn. Die les kunnen we trekken uit de recente gastarbeidersgeschiedenis. Om de tragiek daarvan te voorkomen, is het nodig om meer dan nu te investeren in Europese vestigingsmigranten, door overheid én werkgevers. Beide partijen hebben immers ook de meeste economische baten bij arbeidsmigranten.

De flexibele arbeidsmarkt is daarnaast een bondgenootschap aangegaan met arbeidsmigratie. Wie arbeidsmigratie aan de onderkant in betere banen wil leiden, moet tijdelijke contracten, uitzendwerk, payroll- en ZZP-constructies opnieuw tegen het licht houden. Want het zijn niet alleen onze werkgevers die om arbeidsmigranten vragen, de structuur van onze arbeidsmarkt lokt arbeidsmigratie uit. En misschien dat in een minder flexibele arbeidsmarkt de huidige beroepsbevolking meer bereid is om het werk te doen dat nu verricht wordt door een Poolse of Bulgaarse flexmigrant?

Ook is er soms sprake van concurrentie met de al aanwezige beroepsbevolking – sommigen van hen waren ooit zelf migrant. Toch is van verdringing over de hele linie - op macro niveau- weinig sprake gebleken. Oneerlijke concurrentie op sociale premies kan wel plaatsvinden. Voor een gedetacheerde Pool of Portugees worden namelijk Poolse of Portugese premies afgedragen – en die zijn lager. Veel van de oneerlijke concurrentie kan opgelost worden door strenge handhaving van afspraken en wetgeving op nationaal niveau. Maar premieconcurrentie is een Europese kwestie en verdient een Nederlandse gang naar Brussel.

Tegelijkertijd blijven aan de bovenkant van de arbeidsmarkt opvallend veel kansen liggen. Hoogopgeleide migranten dragen veel belasting af, hebben weinig kans werkloos te raken, en integreren meestal moeiteloos in de samenleving. Sommigen van hen kunnen bijdragen aan innovatie en economische groei. Ondanks onze internationale kenniseconomie is het aandeel hogeropgeleide migranten in Nederland vergelijkenderwijs klein. Slechts een vijfde van alle arbeidsmigranten is hogeropgeleid; ruim twee procent van de beroepsbevolking is een hogeropgeleide arbeidsmigrant. Dat is veel minder dan in Zweden of België.

Hoe kan Nederland hogeropgeleide migranten aantrekken en binden? Door te investeren in de kennisinfrastructuur, door een warm ontvangstklimaat te scheppen en door loopbanen op niveau aan te bieden. In heel Europa – inclusief Nederland – werken hogeropgeleide Roemenen en Bulgaren substantieel onder hun niveau. Er is sprake van ‘brain waste’. Daarnaast zijn er in ons land relatief veel Roemeense (1050) en Bulgaarse (1600) studenten. Velen volgen technische studies, waar nog steeds vraag naar is op de arbeidsmarkt. Nederland financiert voor een deel deze opleidingen. Volgens CPB-onderzoek betaalt zich dat op de lange termijn terug, bijvoorbeeld via versterkte handelsrelaties. De voordelen zijn alleen nog groter als de studenten ook in Nederland blijven. Maar bijna alle Bulgaarse studenten zeggen dat ze liever weer teruggaan. Alleen als in the battle for brains zwaarder geschut wordt ingezet, lukt het misschien om de hogeropgeleiden aan te trekken en vooral ook te behouden.

Tot slot is er in Nederland verrassend weinig aandacht voor de zendende landen, waaronder sinds 2014 officieel ook Roemenië en Bulgarije. Wat betekent arbeidsmigratie daar? Hoewel remittances (geldovermakingen) goed zijn voor hun economieën – al zijn die door de crisis verminderd – is er in sommige beroepen sprake van een brain drain. Nu beperken de recente afspraken tussen Nederland en Roemenië/Bulgarije zich tot handhaving van arbeidswetgeving, hoe belangrijk die ook zijn. Maar er kan ook ingezet worden op brede (kennis)economische relaties zoals scholingsovereenkomsten rond technisch personeel, universitaire verbanden en kennisnetwerken. Daarbij moet er ook oog zijn voor de voordelen voor zendende landen, dus brain gain. Dergelijke bredere samenwerkingsrelaties zijn eveneens van belang voor het Nederlandse bedrijfsleven, hier en dáár. Nederland is namelijk een van de grootste investeerders in zowel Roemenië als Bulgarije. We verdienen er geld.

Het openstellen van de arbeidsmarkt voor Roemenen en Bulgaren zet de schijnwerpers opnieuw op de Europese arbeidsmigratie. Om te zorgen dat het vrije verkeer van werknemers ook op de lange termijn sociaal en economisch goed uitpakt, is het verstandig om aandacht te schenken aan de terechte zorgen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Maar de kansen aan de bovenkant van de arbeidsmarkt blijven te vaak onderbelicht. Nederland zou ten aanzien van Europese arbeidsmigratie een evenwichtiger beleid kunnen voeren, meer gericht op de langere termijn en de mogelijkheden om talent aan zich te binden.