Avontuurlijke Kristian Bezuidenhout op fortepiano maakt Beethoven spannend

Alsof een piano van vijfhoog te pletter slaat. Zo ongeveer klinkt het explosieve openingsakkoord van de Ouverture ‘Die Geschöpfe des Prometheus’ van Beethoven wanneer je dit door het Orkest van de Achttiende eeuw laat uitvoeren. Een ongepolijste maar rijkgeschakeerde klank van knetterende natuurhoorns, fagotscheetjes en vibratoloze violen: het is al sinds 1981 het vertrouwde handelsmerk van deze enthousiaste band vol ‘authentieke’ instrumenten.

Geen wonder dat het orkest, opgericht door Frans Brüggen, nu voorzichtig terugkomt op het oude credo ‘als Frans stopt, stoppen wij allemaal.’ De broze gezondheid van Brüggen (79) is al jaren een zorg. Deze maand moest hij een Beethovenmarathon in Amsterdam en Rotterdam afzeggen wegens herstel van een operatie. In de aanstaande Johannes Passion wordt hij vervangen door Daniel Reuss. Maar is het niet zonde als het orkest er mee ophoudt?

Dus wordt mondjesmaat geëxperimenteerd met vaste gastdirigenten: naast Ed Spanjaard ook Kenneth Montgomery (70). In 2015 leidt Montgomery Mozarts Le nozze di Figaro, afgelopen week viel hij in bij Beethoven. De Ier, ooit chef van het Radio Symfonie Orkest, oogt als een vriendelijke oom die Beethovens dwarse humor deelt. Dat uitte zich in Muziekgebouw aan ’t IJ in een wild bruisende Vierde symfonie met een écht boers geaccentueerd Scherzo.

Maar het technische handenwerk van Montgomery blijft beperkt tot aansporingen uit de losse pols en af en toe een wijsvinger. Het zachte uiterste van de dynamiek bleef onderbenut, de coördinatie was soms slordig. Het weliswaar teder gespeelde Adagio ontbeerde de geconcentreerde intensiteit die Brüggen op zijn beste momenten creëert.

Grootste attractie vormden de complete pianoconcerten, waarin Kristian Bezuidenhout op fortepiano liet horen wat bij de moderne Steinway grotendeels verloren ging: de spannende worsteling met de materie. Bezuidenhouts instrument, een kopie van een Conrad Graf uit 1822, is relatief krachtig en stabiel. Niettemin moest de pianist hard werken om de linkerhand te midden van het orkestgewoel hoorbaar te maken, ondanks de ideale akoestiek van het middelgrote Muziekgebouw aan ‘t IJ.

Enerverend waren vooral de eerste twee pianoconcerten die vrij dicht bij de Mozartiaanse traditie staan. Hier kon de avontuurlijke Bezuidenhout snel schakelen, soms nootjes toevoegen, en stijlgetrouw becommentariëren in zelfgemaakte cadensen. De interactie met het orkest was aanstekelijk en deed de meeste Beethoven-uitvoeringen braaf lijken.

In het introverte Vierde pianoconcert gleden donkere kleuringen als een wolk over het ensemble. Hier bewees Bezuidenhout dat een fortepiano niet alleen rap van tong is maar ook prachtig kan zingen. Maar in het heroïsche Vijfde pianoconcert werden de expressieve grenzen van het instrument bereikt, leek Bezuidenhout niet in zijn element, en toonde het orkest slijtageplekken.