Zo krijg je de top van juridisch Nederland dus boven op de kast

Of je een emmer leeggooide, afgelopen dinsdag in de Senaat, bij de hoorzitting met experts over de crisis in de rechtsstaat. Daar kreeg de Eerste Kamer in één ochtend meer kritische analyse van de verhouding burger-overheid op zijn bord dan een gewone krantenlezer in een hele jaargang. Gezamenlijk kenmerk: het schip maakt water, pas in vredesnaam op, de zaak loopt vast, etc. Nu is voor iedereen de ‘democratische rechtsstaat’ een abstract onderwerp. Nieuwsuur worstelde er maandag nog mee. Maak maar eens aan gemiddeld Nederland op tv duidelijk dat èn minder gefinancierde rechtshulp en het aan banden leggen van strafrechters en hogere eisen aan politie en parket en hogere griffierechten en meer afkeer van Straatsburgs en meer politieke druk op rechters, bij elkaar opgeteld zwaarder wegen en dieper ingrijpen. Als de toga’s de straat opgaan of zichzelf overwerkt verklaren, dan is dat dus niet de zoveelste stormloop op Den Haag van belangenbehartigers die de bezuinigingen weg willen hebben. Overwerkt, ondergefinancierd, verantwoordingsmoe. Vast en zeker, wilt u achteraansluiten? Anders zappen we weg.

Dit gaat ook (nee, juist) om het evenwicht tussen de staatsmachten, om respect voor tegenspraak, om toegang tot de rechter en dus om individuele vrijheid. Zodat burgers elkaar niet de hersens inslaan en vertrouwen in de civiele samenleving houden. In een democratische rechtsstaat geldt het recht van de sterkste juist niet. De macht van de politiek is er altijd relatief, want óók gebonden aan het recht. In zo’n gedeelde rechtsorde heeft nooit dezelfde instantie het laatste woord. De Oekraïne beklimt er de barricade voor.

De politiek gebruikt het recht hier echter steeds meer à la carte als beleidsinstrument, niet als een zelfstandige waarde. Toegang tot de rechter is dan net zoiets als huurtoeslag of toegang tot het zwembad. Meer een kwestie van vraag en aanbod en publieke middelen dan een van vrijheid, gelijkheid of rechtszekerheid. Het denken over het recht in de politiek is gemarginaliseerd, werd geconstateerd. En dat was nog vrij vriendelijk uitgedrukt.

Simpele oplossingen en zelfbewuste politici die het ‘primaat’ claimen zetten de toon. Bijvoorbeeld om ‘wenselijke strafhoogten’ vast te stellen (Rutte op 12 januari in Buitenhof). Het regent ‘signalen’ uit een kabinet dat niet goed wil nadenken - en dan weer verzint dat gedetineerden 16 euro per dag moeten betalen. Waarna zwakke groepen zich minder beschermd voelen. En zij die voor hen opkomen of hen moeten berechten de bewindslieden op Justitie als een bedreiging van de rechtsstaat gaan zien. Zo krijg je dus beladen hoorzittingen in de Senaat. Overigens met mensen die er toegankelijk over kunnen praten. Het is te vinden op het Youtube-kanaal van de Senaat. Dus u kunt er nog makkelijk bij zijn.

Bij wijze van samenvatting hieronder een parafrase. Er spraken twee belangenbehartigers van de togaberoepen, twee leden van de Hoge Raad, drie leden van hoge colleges van Staat, een procureur-generaal en een oud-minister, thans grondrechtenexpert. Het duurde bijna drie uur, maar met de sprekers in het eerste half uurtje werd de kern al ruimschoots getroffen.

Deels was er systeemkritiek; deels ging het om individuele maatregelen. Het inperken van gratis rechtshulp, het sterk verminderen van de vrijheid van bestuursorganen, de beknotting van strafrechters, het duurder maken van toegang tot de rechter, het opvoeren van de werkdruk in de rechtspraak, het verslechteren van detentie. Allemaal ingevoerd, meestal tegen andersluidend advies in. Er vielen stevige termen. De strafrechtspleging staat nu voor een ‘onmogelijke opdracht’. De oplopende werkdruk kan ‘uiterst funest’ zijn. Als de politiek rechtspleging als ‘kostenpost blijft zien, dan loopt het uit de hand’.

De systeemkritiek kwam vooral van Brenninkmeijer, Corstens en Tjeenk Willink. Die had ik van de ombudsman, de Hoge Raad en de Raad van State vaker gehoord. Alleen zelden zo losjes, ter zake en vooral eendrachtig, haast in samenzang geformuleerd. De olifant in de kamer daarbij was de macht van de PVV. Rechts werd door niemand genoemd, behalve met het codewoord ‘populisme’.

Wat zeiden zij? Ongeveer dit. De rechtsstaat verzwakt omdat de democratie weinig tegenspraak meer verdraagt. Er is sprake van ‘systeemfalen’. Het land lijkt bang en zoekt geforceerd naar eenheid. Rechterlijke oordelen worden niet meer aanvaard. Kritiek van adviesorganen of andere oordelende instanties worden genegeerd of gepolitiseerd, afgedaan als ‘oppositie’. De politiek beroept zich op een ‘primaat’ dat niet bestaat. We leven juist in een gedeelde rechtsorde: soms geeft de politiek de doorslag, soms het recht. Mensenrechten beperken de macht van de wetgever.

De politieke reactie op tegenspraak is verkrampt: dan treden we maar uit dat Verdrag, verlaten we de EU of schaffen de Eerste Kamer af. Het systeem van macht en tegenmacht, checks and balances – van een gedeelde rechtsorde met meerdere krachten is aan het afglijden.

Tegenspraak door bijvoorbeeld de rechter is essentieel voor de rechtsstaat. Daarom moet de politiek zuinig zijn op toegang tot die rechter - dat is een grondrecht. Het is geen consumptiegoed. De drempel is nu al te hoog gemaakt. Vorderingen van minder dan 1500 euro kunnen ondernemers niet meer innen via de rechter, vanwege te hoge griffiekosten. Dan drijven ‘recht en rechtvaardigheid uit elkaar’. Burgers hebben al vaak het gevoel dat ze nergens gehoord worden. Niet door de politiek, niet door het bestuur - en dan wordt de toegang tot de rechter ook nog ‘afgegrendeld’.