Opinie

Woody Allen

In de mediastorm die opstak toen Dylan Farrow haar adoptievader Woody Allen vorige week in een open brief in The New York Times van seksueel misbruik beschuldigde, en sommigen haar niet geloofden en anderen wel, en talloze mensen ineens een mening bleken te hebben over iets wat misschien wel en misschien niet had plaatsgevonden, en waar ze sowieso niet bij waren geweest – in die mediastorm bleef bij mij één vraag hangen.

Dat was de vraag van Jessica Winter van Slate: waarom prijzen zoveel journalisten het artikel in The Daily Beast van Bob Weide, een artikel dat Woody Allen verdedigde? Weide (die een documentaire maakte over Allen) vertelt in dat stuk onder meer over de eerdere ontkrachting van de misbruikaanklacht en over de psychologische oorlog van ex-geliefde Mia Farrow tegen Allen.

De vraag van Winter bleef onder andere hangen omdat ik begreep wat er nogal laf geïnsinueerd werd. Namelijk: veel journalisten vinden Woody Allen en z’n films geweldig, dus het wil er bij die pathetische fans niet in dat hij een kind misbruikt heeft. Fans willen nu eenmaal liever geen kwaad woord over hun idool horen – er is toevallig net een onderzoek gepubliceerd waaruit dat blijkt. Als andere mensen (familie, vrienden, media) iets vervelends over zo’n idool zeggen, geloven de fans dat soms wel, maar hun gevoelens voor die persoon blijven meestal toch onveranderd. Emotional belief perseverance, heet dat, en een psycholoog had het onderzocht bij overwegend studenten uit Californië (Psychology of Popular Media Culture, januari).

Maar Winters vraag bleef vooral hangen omdat hij gemeen was. Tekenend voor het lage, nare niveau waarop gediscussieerd werd over de hele kwestie – waar, nogmaals, vrijwel niemand van de mensen die zich ermee bemoeiden iets zinnigs over kon zeggen. Zijn de journalisten die Bob Weide prezen, louter ordinaire fans? Ik hoop het niet. Ik hoop dat het vaklui zijn die hun journalistieke functie vervullen: het kritisch volgen van welke vorm van macht dan ook, en daar informatie over geven.

Daarbij gaat het ook om de macht die de (andere) media hebben – als ze bijvoorbeeld een open brief publiceren met een aanklacht van seksueel misbruik waarvan onduidelijk is of die waar is. Dat zo’n aanklacht macht heeft, weet iedereen die de dramatische film Jagten (2012) van Thomas Vinterberg kent. Daarin wordt een onschuldige kleuterleraar van kindermisbruik beschuldigd; hij krijgt een heel dorp tegen zich. Ook zulk soort macht moet kritisch gevolgd worden.

Kan iemand dan verzonnen hebben, of aangepraat zijn, dat ze op haar zevende misbruikt is? Ja, daar ben ik van overtuigd. Zeker als ze is opgegroeid in een gezin waarin het de moeder goed uitkwam om haar ex voor pedofiel uit te maken. Niet dat ik weet dat dat gebeurd is, maar het kán, en dat het kan is relevante informatie.

In 2010 publiceerde Meredith Maran het boek My Lie, waarin ze dapper vertelt hoe ze haar vader ten onrechte beschuldigde van seksueel misbruik. Ze zag hem jaren niet. Toen ontdekte ze dat het niet waar was. Ze zocht hem op. Hij vergaf haar.

Als journalist vind ik dat mensen zulke verhalen moeten kennen. En ja, natuurlijk hoop ik als mens dat het bij Dylan Farrow ook zo gaat. Niet alleen voor Woody Allen, ook voor haar. Omdat ik hoop dat ze niet misbruikt is.