Who cares? Veel Nederlanders, maar verder niemand

Een vraag aan de persvoorlichting van de Internationale Schaatsunie. Hoeveel toeschouwers trok het wereldkampioenschap sprint in het Japanse Nagano vorige maand? Het antwoord is er snel: in totaal 3.200 toeschouwers, geteld over twee dagen.

De tribunes waren grotendeels leeg in Nagano. Hardrijden op de schaats in een kille en sfeerloze hal. De stilte werd af en toe doorbroken door de speaker, die de rondetijden omriep. De NOS deed op beide dagen vanaf 6.00 uur Nederlandse tijd rechtstreeks verslag. En de Nederlandse kranten stonden vol met de Nederlandse wereldkampioen, Michel Mulder.

Dat weekend werd in Nederland ook gevoetbald in de eerste divisie, het op één na hoogste niveau. Ter vergelijking: bij zes van de tien wedstrijden in die speelronde zaten méér toeschouwers dan bij een heel weekend WK sprint. Zoals bij MVV Maastricht-FC Eindhoven (4.522 toeschouwers). Sparta-Willem II trok ruim twee keer zoveel toeschouwers dan het internationale schaatsevenement: 6.551.

Dat geeft te denken. Een wereldkampioenschap schaatsen dat qua toeschouwersaantallen wordt verslagen door een tweederangs voetbalcompetitie.

Vandaag begint op de Winterspelen in Sotsji het schaatstoernooi. De nationale schaatshausse zal ongetwijfeld weer losbarsten: de oranjejacht op medailles. Goud, goud, goud – a.u.b. zoveel mogelijk. Nederlandse world domination in het schaatsen. En daarna een klein volksfeest met de winnaars in het hossende Holland Heineken House.

Media zijn dit seizoen lyrisch over de Nederlandse schaatsers. De koppen in de landelijke kranten: ‘Titel na titel, record na record’, ‘Jaloersmakende selectie uit overvolle vijver’, ‘Geen enkel schaatsland zo sterk als Nederland’, ‘Wüst: gouden tijden breken aan’ en ‘Machtsvertoon’ (ook over Ireen Wüst).

Laat je de komende twee weken niet meesleuren in de oranjehysterie. Stap niet in die valkuil. Olympische schaatsmedailles hebben minder waarde dan in goedbezette sporten, zoals skiën en ijshockey.

Een geheel Nederlands podium vandaag bij de vijf kilometer is goed mogelijk, met de toppers Sven Kramer, Jorrit Bergsma en Jan Blokhuijsen. Goud, zilver en brons voor oranje. Leuk voor ons, maar wat betekent zo’n medaille dan nog?

Het is een sport met provinciaalse trekjes: groot in Nederland, klein in het buitenland. Vergelijk het met korfbal en hockey: internationaal kleine sporten waarin Nederland wereldtop is.

Competitie is de essentie van sport: hoe sterker een deelnemersveld, hoe mooier de strijd, hoe meer aandacht. En dat ontbreekt in het schaatsen. Het aantal landen dat schaatsen naast Nederland serieus neemt, is gering: Duitsland, Rusland, Noorwegen, Canada, Japan en China.

In deze landen is de financiële ondersteuning van schaatsers echter veel beperkter dan in Nederland, waardoor de begeleiding en het aantal trainingsuren minder is.

De infrastructuur voor het opleiden van topschaatsers is nergens zo goed als in Nederland. Er is een goede afstemming tussen clubs, schaatsgewesten (de kraamkamers van talenten) en de schaatsbond. En een belangrijk voordeel ten opzichte van het buitenland is dat het model met de commerciële ploegen hier succesvol werkt.

Sponsors pompen miljoenen in hun schaatsploeg, en zorgen voor een uitgebreid begeleidingsteam en trainingsstages in Zuid-Europa. In het buitenland staat dit soort sponsorploegen nog in de kinderschoenen. De Nederlandse dominantie is zo groot dat het schaatstoernooi op de Winterspelen in de praktijk meer zal lijken op de Nederlandse kampioenschappen, met wat buitenlandse rijders als veldvulling.

Die Hollandse totaalglorie op de ijsbaan is een bedreiging voor de toekomst van het langebaanschaatsen. Een sport die slechts in één land serieus wordt beoefend, heeft internationaal geen bestaansrecht. Als dit doorzet, zal de aandacht vanuit het buitenland afnemen.

Het gevolg: televisieminuten gaan achteruit en sponsors haken af. Devaluatie van het schaatsen dreigt. Spanning is nodig om de sport aantrekkelijk te maken. Zoals in de jaren negentig, toen de Noor Johann Olav Koss de Nederlandse hegemonie doorbrak.

Wil het schaatsen de nieuwe ijstijd overleven, dan moet Nederland een voortrekkersrol nemen in de hervorming van de sport. Schaatsen is één van de saaiste sporten, schreef het Amerikaanse persbureau AP al bij de Winterspelen in 1972. ‘De deelnemers komen, rijden en gaan heen. Alles precies op tijd en net zo opwindend als kijken naar het groeien van gras.’

Die kritiek klinkt ruim veertig jaar later nog. Doe daar iets mee. Verander om te beginnen de opzet van de tien kilometer. Keer op keer bijna dertien minuten lang twee mannen zien schaatsen – rit na rit, rondje na rondje, bocht voor bocht – is niet meer van deze tijd. Je moet meer spektakel bieden wil je de jeugdige kijker ook trekken. Laat bijvoorbeeld in één race tien man tegen elkaar schaatsen, dán heb je pas actie.

Krimp de schaatsagenda in. Nu zijn er zoveel toernooien dat je al snel het overzicht kwijtraakt, in de wintermaanden is er ieder weekend wel schaatsen op tv. Minder = beter. De overgebleven toernooien krijgen zo meer aanzien. Promoot het schaatsen in het buitenland. Maak bijvoorbeeld demonstratietours met Sven Kramer en Ireen Wüst.

Maak de sport sexy: vervang het dweilorkest door jonge, opkomende bandjes. Zorg voor cheerleaders op het middenterrein. Geen koek en zopie, maar een fatsoenlijke hap.

Dan krijgt het schaatsen hopelijk de boost die het zo hard nodig heeft.