Voel je rijk in een budgetsloep

Voor de prijs van een laptop koop je tegenwoordig een oude luxebak. Op ramsjtournee langs autohandelaren.

tekst Bas van Putten

D

it is wat autorijden hoort te zijn. Cruise control, volautomatische airconditioning, drieliter zescilinder, automaat, stijlvol interieur met zachte, elektrisch verstelbare stoelen. Wat loopt dat prachtig en wat gaat dat snel; 230 moet hij halen. ’t Is nog een station ook, altijd handig.

Zijn leeftijd, bijna dertien, zie je niet aan hem af. Ik scan de wielkasten op ongerechtigheden. „Roestvrij”, raadt de verkoper mijn gedachten. Jammer dat hij op benzine loopt en dat je blij mag zijn met 1 op 10. Als kenners merk en type horen, gaan ze gillen: „Nooit doen! Je loopt erop leeg!”

De auto is dan ook een Renault Laguna 3.0 24V Privilège van 2001. Laguna’s van zijn lichting hebben een besmette reputatie. Haperende elektronica, motorisch ongerief, eng brandende controlelampjes die meestal vals alarm geven maar het wel echt menen als je ze net niet meer geloofde – wat stuk kan, gaat het ook. Anderzijds kan dit exemplaar zijn kilometerstand van 261.000 moeilijk tussen huis en garagist hebben opgedaan. Wat het begaf is hersteld; volgens de onderhoudsboekjes hebben de vorige bezitters punctueel de beurten laten doen. De laatste grote vond plaats bij 234.000 kilometer; de kostbare distributieriem, bij 204.000 kilometer vervangen, kan nog zestigduizend mee. Hij schakelt naar behoren en de airco werkt.

Dan nu de prijs: de handelaar vraagt 1.499 euro, en de beroerde markt voor dit soort sloepen kennende kan daar nog wel iets af. De crisis duurt al lang en de brandstofprijzen blijven zo hoog dat de handel grote auto’s aan de straatstenen niet kwijtraakt. En voor zo’n klein bedrag kijk je toch anders naar het zwarte schaap. Met wat geluk rij je hem pannevrij naar de drie ton. Voor de liefhebber die niet meer dan tienduizend kilometer per jaar rijdt, hoeft het stevige verbruik geen struikelblok te zijn. Met een Twingo of een mini-Fiatje is hij door de veel hogere aanschafprijs van kleine auto’s niet per se goedkoper uit. En die gaan, want zuinigheid is populair, met een bescheiden kilometerstand toch nog voor drie tot vier mille van de hand. Voor het geld dat de Laguna-rijder in zijn zak houdt, kan hij een jaar tanken. Verzekeren kost niks, je gooit zo’n auto niet in de allrisk. Wel dien je een wegenbelastingtarief van 70 euro per maand voor lief te nemen. En je moet geen pech krijgen, maar mocht je een kostbare ingreep boven het hoofd hangen, dan kun je hem zonder grote economische schade naar de sloop afvoeren. Zorgeloosheid krijgt een nieuwe, vrolijk cynische dimensie. Zolang het noodlot slaapt, rijd je op topniveau.

Zo denkt de koper van de budgetsloep, op het snijvlak van begeerte en berekening: de afgeschreven grote tweedehands die onwaarschijnlijk veel waar voor zijn geld biedt.

De ideale budgetsloep is een comfortabele vijf-, zes- of achtcilinder in zijn nadagen, hoge kilometerstand, tikje verweerd maar niet versleten. Een uit de kluiten gewassen viercilinder Saab of Volvo-tank reken ik mee. Die auto’s schrijven zo hard af dat ze tweedehands al na een paar jaar onder middenklasseprijzen duiken, maar interessant worden ze pas in de leeftijd tussen tien tot vijftien jaar. De markt voor zulke auto’s was nooit florissant en de recessie maakte ze nog incouranter. Op die Laguna komt geen hond af, zegt de verkoper. Dat zal ik op ramsjtournee langs autohandelaren vaker horen. Men wil een Toyota Aygo of een kleine diesel, anders niks.

Het prettige gevolg is dat de luxejunk het voor soms pinbare bedragen voor het kiezen heeft. Het uitdagendst is de categorie tot 3.000 euro – hoe goedkoper, des te sterker het spekkopergevoel. Een klokgave Lexus LS400 van 1997 met een kilometerstand van 180.000 voor 7.950 euro (nieuwprijs: 87.000!) is getoetst aan het waar voor je geld-criterium even shockingly affordable als de Renault. Ik vond hem in Heemskerk bij een grote occasionspecialist; een verbluffend goed rijdende auto zonder één voelbaar manco voor de prijs van een Aygo. Je ziet de prachtigste Duitse topklassers voor onder de vijfduizend euro, mobiele praalgraven op het limokerkhof voor de gelukzoekers van wie ik er een ben – met een heel goed alibi, en gunstige ervaringen.

Parkeergarages

Mijn eerste budgetsloep kocht ik uit praktische overwegingen. Ik woon ver van de Randstad maar ik moet er regelmatig zijn op plaatsen waar je nieuwe Golfs of krasvrije oldtimers liever niet achterlaat; parkeergarages, Amsterdamse grachten. Wegens de afstand en mijn liefde voor muziek wil ik een grote stille met cd en airco. Ik wil geen kamperbak met foute velgen en een enge spoiler, maar een tikje shabby is een pre. Onder geen beding mag hij zo mooi zijn dat een deuk of kras me uit de slaap houdt.

Ik kocht voor 1.200 euro van een kennis van een kennis ongezien een Saab 900 2.3 S met een kilometerstand van 268.000 en een werkende airco. Gouden koop, kosten heb ik er nauwelijks aan gehad. Een jaar later tikte ik een Volvo S90 op de kop, een enorme jarennegentigsedan met een zacht ruisende drieliter zescilinder en een slecht gerepareerde schade aan het achterscherm so what? Ik liet de Saab ter plekke achter en vertrok in een zalige, edele sedan voor de prijs van een laptop. Hij rijdt al anderhalf jaar zonder één mankement. Hij verbruikt weliswaar meer dan de Saab, die 1 op 13 haalde, maar de total cost of ownership zal lager uitvallen dan voor een nieuwe Aygo.

De gouden kooptips? Grote Fransen en Italianen zijn een grotere gok dan Saabs en Volvo’s uit de jaren negentig, hoewel de prachtige Renault Safrane een uitstekende auto is en een verzorgde Alfa 166 geen miskoop hoeft te zijn. Hun reputatie drukt de prijs, ook dat. Het interessantst blijven niettemin de Zweden en de grote Japanners. Japanse limousines wil niemand hebben. Ze zijn bloedsaai, maar ze gaan niet kapot. Voor twee mille moet je een goede zescilinder Mitsubishi Galant of Toyota Camry zonder tokkie-uitlaat kunnen vinden. Iets hoger in de boom wacht je het Lexus-paradijs.

Voor Volvo’s met lage kilometerstanden en verzamelwaarde – een 240 station, een 850R – worden stevige bedragen neergeteld, voor de minder begeerde modellen geldt dat hun duurzaamheid zich niet vertaalt in hoge prijzen. Idem Saab: de nu spotgoedkope Saab 900 NG en 9-3 (voor 1.000 tot 2.000 euro kom je ver) houden het in goed geconserveerde staat lang vol. Een Volvo 850, 940 en de 960, voorganger van mijn S90, hebben in principe het eeuwige leven. Daarbij hebben ze als beschaafd bereden nettemensenauto’s hun antecedenten mee. In mijn S90 hadden uitsluitend senioren rondgereden, geen rijders die het op een scheuren zetten. Ook een Saab 9000 en 9-5 zijn auto’s van stand die meestal navenant zijn gekoesterd.

Bij een Saab-specialist tref ik een net verkochte 9-5 met 323.000 kilometer op de teller. De grote vijfdeurs Zweed heeft niets aan representativiteit ingeboet. De leren bekleding verkeert in zeer goede conditie en de donkerblauwe koets oogt presentabel. Die houdt voor twee mille nog wel even. Heerlijke, geruisloze auto. Onderhoud is niet goedkoop, maar dat mag voor die prijs. Of je hem ooit weer kwijtraakt?

Echte duurzaamheidsridders laten hun veroveringen nooit meer gaan. Dat huwelijk met mijn Volvo is voor eeuwig, vrees ik. Het wordt een lange weg; hij heeft pas 192.000 kilometer gelopen. „Net ingereden”, zeggen Volvisten. Starten en lopen, mijnheer!