Opinie

Subsidie voor Geerts

anti-EU

- campagne

illustratie hajo
illustratie hajo

Buiten de schandalen en schandaaltjes had je deze week één moment waarop het Hollandse politieke klimaat, dacht ik, vrij scherp in beeld kwam.

Een moment van breed parlementair zwijgen was het. Het gebeurde bij vol daglicht, in de plenaire vergaderzaal, dinsdag rond een uur of half vier - en er was amper aandacht voor.

In eerste instantie leek dit niet onlogisch - hier werd ingestemd met een nogal suffig declaratiereglement voor Kamerfracties. Totdat ik begreep waaraan de Kamer met haar zwijgen en snelle stemmen werkelijk had toegegeven.

Maar toen eisten de schandaaltjes de aandacht weer op. Sommige politici zijn nu eenmaal een accident waiting to happen: Ronald Plasterk behoorde al een tijdje tot die categorie. Te veel optredens voor te weinig portefeuille. Praten voordat het feitelijk inzicht verworven is. Moest een keer misgaan.

Andere politici hebben de pech dat ze uit de verkeerde stad komen. Eric Wiebes oogt geknipt als nieuwe staatssecretaris van Financiën. Maar in Amsterdam feliciteren bestuurders elkaar nu eenmaal voortdurend met hun voortreffelijkheid. Dus elke hoofdstedelijke politicus die naar Den Haag verhuist wordt zozeer opgehemeld dat hij daarna alleen nog kan tegenvallen.

En als dan ook nog blijkt dat je, zoals Wiebes, tijdens je ambtelijke carrière even vergeten was je uit te schrijven als bedrijfsdirecteur, is dat nogal onhandig. Zeker als je de politieke baas van de Belastingdienst bent, waarvan elke burger weet dat de redengeving ‘vergeten’ (als in: vergeten in te vullen/op te geven) al een tijdje over de uiterste gebruiksdatum heen is.

Maar goed – ik verwacht dat ze Plasterk volgende week tot het uiterste beschermen en het ook met Wiebes wel goed komt. De coalitie wil door.

Dus als we over een jaar terugkijken zal een ander feit van deze week vermoedelijk de meeste impact blijken te hebben gehad: het NExit-rapport van Wilders. Het Britse onderzoek dat claimt dat we zouden verdienen aan een vertrek uit de Europese Unie. Wat een feest: opgerot met de eurofielen en nog gratis bier ook.

Het markeert het begin van een Europese campagne die het Nederlandse imago in Europa verder zal preciseren. Geen Hollandse politicus zal meer Europese aandacht krijgen dan Wilders. Nationaal zet hij middenpartijen op tegen eigen kiezers door ze tot een gepolariseerd debat te dwingen: vóór of tegen de EU. Kies of ik schiet.

En het bijzondere was: het moment van parlementair zwijgen dat ik hierboven noemde, ging voor de goede verstaander óók over dit NExit-rapport. Althans over de vraag wie het door Wilders ingehuurde onderzoeksbureau – dat 2,7 ton factureerde – zou betalen: de PVV of de belastingbetaler. En de keuze viel stilletjes op de laatste.

Wilders is een man die vooruitkijkt, dus uit zijn partij weet ik dat ze hier begin vorig jaar al mee bezigwaren. Interne e-mails die ik kreeg doorgespeeld (de sfeer in de PVV-top blijft beroerd) leren dat de directeur bedrijfsvoering van de PVV al in maart de leiding van de Kamer vroeg of een onderzoek naar EU-uittreding „subsidiabel” zou zijn.

Op zichzelf nogal grappig: de PVV is, zoals u weet, geen liefhebber van subsidie. In het laatste verkiezingsprogramma, Hún Brussel, Óns Nederland (2012), turfde ik het woord subsidie 17 keer, uitsluitend in negatieve context.

Subsidie – dat gaat in PVV-ogen naar onzin als ‘multikul’, ‘de staatsomroep’, het ‘netwerk van links’, ‘kunst’, ‘politieke partijen’, etc. Als het niet afgeschaft kan worden moet het in elk geval sterk omlaag. Dus je kon uit dit programma niet opmaken dat de PVV zelf subsidie zou willen.

Maar je hebt retoriek en werkelijkheid – want óók de PVV ontvangt al jaren subsidie. Net als de andere partijen krijgen Wilders en zijn mensen geld, de PVV een paar miljoen per jaar, ter ondersteuning van hun Kamerfractie.

Erg redelijk allemaal: Tweede Kamerleden hebben medewerkers nodig die stukken lezen en de telefoon opnemen. En geen fractie kan zonder een paar voorlichters of een koffiezetapparaat.

Maar de regels schrijven ook voor dat die betreffende subsidie alleen mag worden besteed aan de fractie, niet aan een verkiezingscampagne. Campagnes moeten partijen zelf betalen.

Wel heeft de staat voor partijkosten een aparte subsidiepot, bijvoorbeeld om een kantoor en wetenschappelijk instituut te bekostigen. Op die pot doet de PVV geen beroep: zolang Wilders geen leden toestaat, komt hij hiervoor niet in aanmerking. Maar ook voor die pot geldt trouwens: campagnes mogen partijen er niet uit betalen.

Dus je moet het zo zien: behalve voor zorg en uitkeringen is Nederland óók een verzorgingsstaat voor politieke partijen. En de PVV gaat hier dubbelzinnig mee om: de partij verzet zich ertegen maar maakt er evengoed voor de helft gebruik van.

Want veel zit er niet in de PVV-kas: diezelfde interne PVV-stukken leerden me dat ze vorig jaar opgelucht waren („bingo!”, mailde Martin Bosma 9 april) toen bleek dat de Kamer ermee instemde dat de partij haar EU-uittredingsonderzoek met fractiesubsidie zou betalen. Al bleef, zo zei de Kamer erbij, de bekende restrictie van kracht: het onderzoek mocht alleen gebruikt worden voor het functioneren van de Kamerfractie, beslist niet voor campagnedoeleinden – laat staat Europese campagnedoeleinden.

Hierna vroeg de partij offerte van het Britse Capital Economics. Een bureau met een goede reputatie, al stond de uitkomst van het project op voorhand vast. Toen Wilders 13 juni 2013 de eerste offerte ontving, mailde onderzoeker Mark Pragnell (‘strictly confidential’) dat „ I am pretty confident that we will show that an exit will be a net benefit to the Netherlands”. Vervolgens gunde Wilders hem de opdracht.

En begin deze week, met het rapport in aantocht, stak ik mijn licht nog eens op bij wat bronnen, en zie: er kwam een mailtje op tafel dat voor Wilders even voor de hand liggend als pijnlijk leek.

Wat bleek: de PVV-leider had zélf op 15 maart 2013 aan een collega geschreven dat „het succes van de uitslag van de EP-verkiezingen valt of staat met een gedegen rapport”. Dus: die hele studie, betaald uit subsidie voor de Kamerfractie, was vanaf het eerste begin campagnemateriaal geweest – precies wat de regels, dacht ik, niet toestaan.

Ik stapte ermee naar de woordvoerder van de Tweede Kamer. Ik zei: fracties mogen hun subsidie toch niet uitgeven aan campagnes? Klopt, zei hij. Hierna wees ik hem op Wilders’ mailtje, en vroeg: is dit een overtreding?

Uh, dit moest hij nagaan, zei hij.

Wat bleek: toevallig diezelfde middag werd gestemd over nieuwe declaratieregels voor fracties. En uit die regels volgde, zei de woordvoerder, dat het voor partijen „in principe mogelijk is in campagnetijd gebruik te maken van een onderzoek naar het uittreden uit de EU”.

Want het idee achter de nieuwe regels was, zo bleek me, dat fracties voortaan ruimte hebben subsidie naar eigen inzicht te besteden. Heel liberaal: ze bepalen zelf wat hun functioneren bevordert.

Dus als een fractie oordeelt dat anti-EU-onderzoek goed is voor het eigen opereren, is dat sinds dinsdag allemaal prima, vertelde de woordvoeder van Kamervoorzitter Anouchka van Miltenburg.

Het bijzondere aan die stemming daarna was dat, behalve nota bene de PVV, geen van de fracties openlijk bezwaar tegen de nieuwe regels aantekende. Dus zo kreeg Wilders alsnog het groene licht om zijn anti-EU-verzetstour met gesubsidieerd onderzoek kracht bij te zetten.

Later in de week liep ik alle grotere fracties af met de vraag waarom ze hier niet openlijk over hadden gedebatteerd. Tekenend was dat niemand dit zelfs maar overwogen had.

In zo’n politiek klimaat zijn we dus beland. Decennialang, in feite sinds Wiegel in de jaren zeventig, had rechts nogal logische kritiek op de subsidiëring van linkse pressie- en actiegroepen, die eerst subsidie vingen om er daarna de regering mee onder vuur te nemen.

Nu krijgt de PVV subsidie om de EU, en dus de regering, onder vuur te nemen. En niemand geeft een kik. Ook links niet.