Pony’s zijn niet pervers

Bernard Hulsman grasduint door de stapel nieuwe boeken en geeft zijn eerste indruk.

Literatuurliefhebbers kennen Dick Matena vooral van zijn meesterlijke verstrippingen van klassiekers als De Avonden van Gerard Kornelis van het Reve en Kort Amerikaans van Jan Wolkers. De benauwdheid van het naoorlogse Nederland in De Avonden gaf hij weer door realistische tekeningen in bruintinten, Kort Amerikaans was in een soortgelijke stijl, maar dan in kleur.

Maar uit 100 pagina’s Dick [1], een overzicht van zijn werk met 82 bladzijden uit even veel strips die hij sinds 1962 maakte, blijkt hoe virtuoos Matena is in bijna alle denkbare stijlen. Als 17-jarige begon hij 52 jaar geleden in de Toonder Studio’s waar hij onder meer Heer Bommel en de Grauwe Razer tekende. Later werkte hij in heel andere stijlen voor onder meer Eppo en Donald Duck.

De stripbladzijden worden voorafgegaan door enkele essays over Matena en een lang interview met hem door Victor Vermomme. Dat laatste begint met de reanimatie van Matena door zijn vrouw, nadat hij twee jaar geleden door een hartinfarct was getroffen.

Matena kan ook heel goed blote vrouwen tekenen. In de parodie op Eric de Noorman die hij in 1998 voor Playboy maakte, komt ‘Eric de Moordman’ na een reis van zeven jaar terug bij zijn vrouw met vijf naakte, op sekspoppen lijkende vrouwen op zijn rug.

Dat moeten we vooral niet raar vinden, is de kern van het betoog van de Amerikaanse psycholoog Jesse Bering in Pervers. Seksuele afwijkingen in ieder van ons [2].

We zijn allemaal in meer of mindere mate pervers, is Berings boodschap, en dus bestaat seksuele perversiteit eigenlijk niet. Ook pedofielen zijn niet pervers, schrijft hij in het hoofdstuk ‘Een gepaste leeftijd’. Er zijn nu eenmaal mensen die op kinderen vallen, en daar kunnen ze niets aan doen. Dus zit er niets anders op dan hier praktische oplossingen voor te vinden. Maar dat valt niet mee. Uit onderzoek blijkt dat minder kinderen slachtoffer worden van pedofilie als pedo’s kinderporno consumeren, schrijft Bering. Dus ligt het voor de hand om kinderporno aan pedofielen ter beschikking te stellen. Maar voor de vervaardiging van kinderporno zijn kinderen nodig. De oplossing moet daarom worden gezocht in het recyclen van oude kinderporno of in de vervaardiging van virtuele kinderporno.

Ook paardenmeisjes zijn natuurlijk niet pervers en een negendaagse reis maken op de rug van kleine, Mongoolse pony’s over een woeste hoogvlakte evenmin. Over haar deelname aan de Mongol Derby, een soort Parijs-Dakar op pony’s, schreef de schrijfster Frederique Schut Missie: Mongolië [3]. Hierin beschrijft ze niet alleen, vaardig en met vaart, de ontberingen en tegenvallers waar ze tijdens haar duizend kilometer door Mongolië mee te maken kreeg, maar ook hoe de relatie met haar vriend Ronald, met wie ze de tocht maakte, onder druk kwam te staan. Op een gegeven moment wil hij het bed niet met haar delen. Later wordt ze ziek en moet ze bijna opgeven. Maar uiteindelijk bereikt ze, op haar 40ste pony, het 25ste en laatste paardenstation.

Niet duizend kilometer en negen dagen, maar dertig jaar duurde de ontberingen die drummer René van Collem beschrijft in zijn autobiografie Heroïne godverdomme [4]. Van Collem, de zoon van de bekende filmjournalist en rampzalige vader Simon van Collem, was van 1981 tot een paar jaar geleden junkie. In 1982 werd hij wegens zijn verslaving en de daarbij horende diefstallen uit Doe Maar gezet, de populairste Nederlandse popgroep aller tijden. Dit was het begin van jarenlange ellende, variërend van een zwervend bestaan tot zelfmoordpogingen, die Van Collem in kinderlijk eenvoudige woorden beschrijft.

Net als in Missie: Mongolië loopt het goed af in Heroïne godverdomme , overigens ook de titel van een Doe Maarnummer dat gaat over Van Collems verslaving. Hij wordt gered door Margaretha de Vries die hem uit de goot vist en hem met engelengeduld van zijn verslaving afhelpt. Van Collem drumde zelfs weer tijdens de reünieconcerten die Doe Maar de afgelopen jaren gaf.

Niet particulier leed, maar wereldomvattend financieel leed is het onderwerp van Het spook van het kapitaal [5] van Joseph Vogl, Duits hoogleraar moderne literatuur aan de Humboldtuniversiteit in Berlijn. De titel van zijn boek, dat volgens het omslag in Duitsland een bestseller is, doet denken aan Het Communistisch Manifest van Karl Marx en Friedrich Engels uit 1848. Dit begon met de zin: ‘Er waart een spook door Europa – het spook van het communisme.’

Dit is geen toeval: met Het spook van het kapitaal treedt Vogl in de voetsporen van Karl Marx. Net als Marx gebruikt hij graag het begrip ‘politieke economie’. En zoals Marx in Het Kapitaal het industriële kapitalisme analyseerde, zo onderzoekt Vogl het hedendaagse financiële kapitalisme. Marx voorspelde dat het kapitalisme aan crises en innerlijke tegenstrijdigheden ten onder zou gaan. Nu laat Vogl zien dat het financiële kapitalisme volstrekt irrationeel is en altijd weer voor nieuwe verrassingen en crises zal zorgen.

Net als Marx gaat ook Vogl de economische wetenschap frontaal te lijf en legt hij de armoede ervan bloot. Ook stilistisch is hij nauw verwant met zijn voorganger. Vogl houdt van omslachtige taal, beperkt zich niet tot economische argumenten en citeert, nog meer dan Marx deed, steeds literaire schrijvers. Zo begint hij Het spook van het kapitaal met een uitgebreide analyse van Cosmopolis, de roman van Don DeLillo uit 2003.