Poetin accepteert geen nieuwe flater

De ploeg van Rusland gaat in Sotsji op zoek naar eerherstel na de dramatische Spelen in Vancouver (2010). Met de hulp van heel veel geld uit eigen land, en coaches en sporters uit het buitenland.

Foto Reuters

Vanuit het Russische kamp geen klachten. Geldverspilling, terreurdreiging, corruptie, mensenrechtenschendingen, homodiscriminatie. De Russische olympische ploeg had zich geen rustiger voorbereiding kunnen wensen op de eerste Spelen in hun land sinds 1980. De wereld had genoeg andere dingen aan het hoofd.

Toch zijn ook voor de 232 Russische sporters – de grootste olympische ploeg in Sotsji – kosten noch moeite gespaard om van Vladimir Poetins Spelen een swingend Russisch feest te maken. Alleen al daarom is de druk enorm. „Wij rekenen allemaal op jullie”, zei de president deze week bij zijn bezoek aan het olympisch dorp.

Het klonk bijna dreigend. En misschien bedoelde Poetin het ook wel zo: hij weet waar de Russische ploeg vandaan komt. Met het schaamrood op de kaken glipten ze vier jaar geleden weg uit Vancouver, de ijshockeyers, de langlaufers, de biatleten. Met slechts drie gouden medailles waren de Russen zelfs achtergebleven bij het kleine Nederland.

Ooit waren ze oppermachtig. Sinds het olympische winterdebuut van de Sovjet-Unie, in 1956 (Cortina d’Ampezzo), wonnen ze acht keer het medailleklassement. De klinische manier waarop ze medailles verzamelden als postzegels was één van de onderdelen van de prestigestrijd die het Kremlin in de Koude Oorlog uitvocht met de Amerikanen.

Maar na de onttakeling van het Sovjetrijk werden de prestaties elk jaar minder. De ploeg van Vancouver was de eerste generatie olympiërs die opgroeide in de overblijfselen van het ontmantelde land. Zij leken in niets meer op hun gedisciplineerde, gedrilde voorvaderen. Dat zag ook Poetin, destijds premier. Zo kort voor Sotsji sprak hij schande van de wanprestatie en liet zelfs een onderzoek instellen. Bovendien had het Russische imago diepe krassen opgelopen door een serie dopingschandalen, met name onder langlaufers en biatleten.

Het falen lag aan de complete ineenstorting van het Russische sportsysteem, zei parlementariër Svetlana Zjoerova destijds in deze krant. De olympisch schaatskampioene van Turijn (2006) had zelf gezien hoe tal van Russische topcoaches in de jaren negentig hun heil zochten in het buitenland, na de val van de Sovjet-Unie. Geld voor topsportprogramma’s of vernieuwing van de wegkwijnende sportaccommodaties was er niet meer. „In de Sovjet-Unie was alles gratis, nu moeten mensen ineens betalen voor de sportclub van hun kinderen”, zei Zjoerova in Vancouver. „Te weinig kinderen sporten nog.”

De jaren tussen Vancouver en Sotsji zijn te kort om een complete ommekeer te verwachten, maar de Russen staken enkele honderden miljoenen dollars in topsportprogramma’s om de komende twee weken in eigen land geen flater te slaan.

Wat ze zelf niet hadden haalden ze uit het buitenland – coaches en sporters. De coach van de Russische bobsleeërs is een succesvolle Canadees, voor de rodelaars werd een Italiaan ingehuurd, de curlingploeg kreeg een Zwitserse trainer, de schaatsers een Italiaan voor de vrouwen (Maurizio Marchetto) en een Oekraïense Nederlander voor de mannen – Kosta Poltavets, na Vancouver weggekaapt bij de TVM-ploeg van Sven Kramer. De buitenlanders werden gelokt met de hulp van de kolossen van de Russische industrie, bedrijven als Gazprom, Lukoil en Transneft.

Zelfs sporters werden ‘gehaald’. De bekendste is shorttracker Viktor Ahn, die namens zijn geboorteland Zuid-Korea – en onder de naam Ahn Hyun-soo – vijf keer wereldkampioen werd en op de Spelen van Turijn geschiedenis schreef met drie maal goud en één keer brons. Nadat Ahn in Korea een jaar had gemist door een blessure werd het voor hem te ingewikkeld terug te keren in de nationale ploeg, waar de concurrentie moordend is, zo luidt de lezing over zijn emigratie. „Ik kon in Korea niet meer ontspannen trainen. In Rusland is de sfeer geweldig”, zei hij onlangs tegen Reuters. Nadat hij in 2011 Russisch staatsburger was geworden verfde hij zijn haar blond. Dat hoefden shorttracker Vladimir Grigorev en kunstrijdster Tatjana Volosozjar, ook geen geboren Russen, niet te doen. Zij komen uit Oekraïne.

De Russische ploeg hoort nog steeds niet tot de favorieten op de medaillespiegel. De strijd om de bovenste drie plaatsen gaat naar verwachting tussen Noorwegen, de Verenigde Staten en Duitsland. Maar Rusland heeft meer kanshebbers dan vier jaar geleden, bijvoorbeeld in het shorttrack en op de langebaan, waar Ivan Skobrev sterke collega’s heeft gekregen in Denis Joeskov en Olga Fatkoelina.

De sport waar de Russen het meest naar uitkijken is het ijshockey, in hun ogen de belangrijkste medaille van Sotsji. Ooit regeerden zij deze sport met strakke hand, met acht van de tien olympische titels tussen 1956 en 1992. Maar in eigen land horen de Russen bij de favorieten, met Canada als grootste concurrent. Ook veel Russen zijn tegenwoordig multimiljonairs in de Noord-Amerikaanse NHL, zoals Alexander Ovetsjkin, voor 124 miljoen dollar op de loonlijst bij de Washington Capitals.

Nu het meeste wel lijkt gezegd over terreurdreiging en mensenrechten hebben de Russen na de openingsceremonie nog één grote vrees: doping. De laatste jaren zijn talloze Russen tegen de lamp gelopen, in zomer- en wintersporten. Zelfs in de week voor de openingsceremonie moest de ploeg nog afscheid nemen van biatlete Irina Starych. Een dopinggeval in Sotsji zou funest zijn voor het Russische imago.