Personeelsstop in Brussel

‘Ik ben even kritisch over Europa als een euroscepticus”, zei Guy Verhofstadt vorige week tegen deze krant. Weinigen beseffen het, maar de lijsttrekker van de Europese liberalen heeft hiermee voor veel ambtenaren in Brussel gesproken. Dat zijn niet allemaal federalisten als Verhofstadt, maar het gros is zéér kritisch over Europa zoals het nu functioneert.

Om met een dagelijks probleem te beginnen: veel ambtenaren vinden het absurd dat er bij de Europese Commissie honderden mensen werken aan grootstedelijk beleid of industriepolitiek, terwijl de nieuwe Europese buitenlandse dienst nauwelijks mensen heeft om imploderende buurlanden als Libië, Egypte en Oekraïne te volgen. Voor sommige landen heeft de dienst maar twee, drie mensen op kantoor.

En waarom doet de Commissie drie jaar over een mededingingszaak tegen Google? Het gaat om miljarden. Google zet rustig tachtig advocaten op zo’n zaak. De Commissie heeft er zeven of acht. „Meer kunnen we niet vrijmaken, anders moeten we andere zaken laten liggen”, zei een medewerker laatst. Een advocaat van Google noemt het „onprofessioneel”.

Voor Europese instellingen geldt sinds 2004, op last van de lidstaten, een personeelsstop. Nationale ambtenarijen hebben nu ook stops, door de crisis. Maar afdelingen opdoeken, of snel mensen overhevelen van het ene directoraat naar het andere, is in Brussel moeilijker dan in nationale hoofdsteden. Eurocommissaris Neelie Kroes kan ervan meepraten. Toen banken in 2008 omvielen, werkte haar team weekenden en vaak nachten door. Kroes had te weinig mensen. Staatssteun aan banken was al jaren nauwelijks voorgekomen. De afdeling was langzaam verschrompeld. Nu zij dringend mensen nodig had, kon ze hen niet even snel terughalen.

Flexibiliteit is de achilleshiel van de Europese Unie. EU-beleid wordt bepaald door de lidstaten. Elk land moet er iets uit kunnen halen. Alles is een compromis van een compromis – een soort polderen. Daarom kunnen een paar landen niet zomaar een regeling of afdeling opdoeken die niet functioneert of achterhaald is. Er zijn altijd andere landen die de afdeling of regeling overeind willen houden. Of die ‘hun’ directeur-generaal alleen opofferen als hij iets belangrijks terugkrijgt.

Dit leidt tot verkalkt personeelsbeleid en politieke verstarring. Velen zeggen dat Europa een bureaucratisch monster is dat de nationale politiek verstikt. Dat is maar ten dele waar. Vergeleken met nationale ministeries is Brussel erg slank, qua bemanning en kosten. Alleen, het personeel wordt niet goed ingezet. Europa is een logge tanker die moeilijk te wenden is, juist nu de wereld razendsnel verandert en wendbaarheid cruciaal is. Op sommige terreinen is Europa te zwaar, op andere onverantwoord licht. Daardoor slaat de crisis zo hard toe. Europa sponsorde boeren en geweldige films, maar voor bankentoezicht of begrotingscontrole had ze niemand. Nu dat schoorvoetend wordt opgelapt, doemt het volgende probleem op: democratische legitimiteit.

Bankentoezicht en begrotingscontrole draaien om geld. Europa heeft geen geld, want belastingen zijn nationaal. Democratische controle ligt daarom vooral op nationaal niveau. Moeten er nu Europese belastingen komen? Moeten nationale parlementen meer macht krijgen in Brussel? Of allebei?

Zo hobbelt Europa permanent achter de feiten aan. Burgers geven ‘eurocraten in Brussel’ de schuld. Maar ze vechten tegen de verkeerden. Veel Europese ambtenaren staan aan hun kant. Dit probleem overschaduwt hun werk, elke dag. Zij weten als geen ander bij wie we wél moeten aankloppen om de EU slagvaardiger te maken: bij nationale politici.