Op zachte manier een harde mentaliteit kweken

Hoe gaat een vader met zijn tennissende zoon om? Alec (13) wil in de voetsporen treden van zijn vader, Richard Krajicek. De oud-tennisser wil zijn zoon niet zo hard aanpakken als zijn eigen vader bij hem deed.

Aan de keukentafel in zijn huis in Muiderberg doet Richard Krajicek (42) een kleine bekentenis. „Toen mijn zoon Alec een jaar of negen was, heb ik een keer na een partij van hem drie kwartier lang in de auto naar huis gezwegen. Hij had het zo verknald. Alec stond met 6-0 en 2-0 voor, maar raakte daarna helemaal de weg kwijt. Ging dropshots slaan. Deed de gekste dingen. Ik wilde niet boos worden. Want dat werd mijn vader altijd wel. Toen besloot ik maar niets te zeggen. Ik schrok van mijn reactie. Ik herkende veel dingen. Er speelde van alles door mijn hoofd. ‘Nu zwijg ik, maar wat doe ik de volgende keer?’ Ik heb zijn trainer Ron Timmermans gebeld en heb een half jaar afstand van Alecs tennis genomen.”

Krajicek kan er nu wel om lachen. Neemt niet weg dat hij als tennisvader nauwkeurig de balans wil bewaken. In een openhartig gesprek blikt Krajicek terug op zijn bewogen jeugd en kijkt hij vooruit naar de lange weg die zijn dertienjarige zoon moet bewandelen. De Wimbledon-winnaar weet welke barricades allemaal genomen moeten worden. „Alec kan goed tennissen. Maar dat zegt nog niets. ‘Heel misschien kun je prof worden. Daar moet je heel veel voor doen en nog veel meer voor laten, in jezelf geloven en het is vooral vechten, vechten en vechten’, zeg ik tegen hem. Lukt het niet, dan kan hij altijd nog in de VS op een college gaan spelen. Dat is ook gaaf. Tennis kan hem veel geven. Ik heb alles aan die sport te danken”, stelt de directeur van het ABN Amro World Tennis Tournament, dat maandag in Rotterdam begint.

Laten we eens terug gaan naar het begin. Hoe kwam u in aanraking met tennis?

„Dat gebeurde via mijn vader. We woonden in De Lier en hij tenniste al bij LTC Naaldwijk, met vrienden. Ik wachtte voor het raam tot hij thuiskwam van zijn werk. Dan vloog ik hem in zijn armen en smeekte hem me mee te nemen naar de club. Daar sloeg ik dan tegen een muurtje. Als mijn vader tijd had, gingen we volleren. Dat vond ik zo mooi. Toen ik wedstrijden ging spelen, veranderde dat. Mijn geluk hing opeens af van winst en verlies. Winnen was het enige wat telde. Als ik won, hadden we plezier in de auto. Maar na een nederlaag was hij boos. Voor mijn tennis is hij superbelangrijk geweest. Mijn vader heeft mijn karakter gekweekt. Ik heb er Wimbledon mee gewonnen. Maar voor onze relatie was het dramatisch. We hebben vijftien jaar niet met elkaar gesproken.”

Hoe ziet u nu zelf als vader de tennisopleiding van uw zoon?

„Laat ik het zo zeggen: ik probeer Alec op een zachte manier de goede mentaliteit bij te brengen. Als hij geblesseerd is, dan laat ik hem nooit spelen. Dat moest ik wél. Daar heb ik wel van geleerd. Ik heb wedstrijden gewonnen met pijn. Als ik tijdens mijn profcarrière moe was, dan dacht ik daaraan terug. Dat gaf me kracht. Met Alec probeer ik dat anders op te lossen. Als hij ziek is, zeg ik: ‘Speel nou maar en ga ervoor.’ Zo leert hij dat ook een beetje. Op een iets andere manier. Een tennisser moet soms zware dingen overwinnen. Door een hel gaan is misschien wat overdreven. Maar je moet wel fysiek en mentaal pijn kunnen leiden. De werkwijze van mijn vader zou voor hem als tennisser beter zijn. Maar de relatie met mijn zoon is me te veel waard.”

U koos er bewust voor uw beide kinderen de achternaam van uw vrouw Daphne Deckers te geven. Heeft dat gewerkt?

„Het was mijn idee. Daphne stond daar ook niet helemaal achter. Bij het horen van de naam Krajicek zou iedereen direct aan mij denken. Ik wilde dat Emma en Alec een anonieme jeugd konden hebben. Maar goed, in de tenniswereld weet iedereen dat hij mijn zoon is. En toen mijn dochter naar de middelbare school ging, kwamen er op de eerste dag jongens naar haar toe met de vraag of ik haar vader was. Als ze achttien zijn, kunnen ze zelf hun achternaam bepalen.”

U heeft Tsjechische roots. Komt daar uw absolute wil om te slagen vandaan?

„Dat is nature versus nurture. Ik heb geleerd altijd keihard te werken voor ieder punt. Die bereidheid mis ik weleens in Nederland. Als je niet weet hoe je wedstrijden moet winnen, dan ga je gewoon niet goed worden. Zo simpel is dat. Dat moet Alec de komende jaren inzien. Maar we leven in Nederland wat dat betreft in een raar landje. We zijn een tegenstrijdig volk. Er wordt vaak geklaagd over een gebrek aan hardheid en winnaarsmentaliteit. Als Oranje dan een keer tijdens de WK-finale keihard de strijd aangaat, dan schamen mensen zich ervoor. Terwijl we op een haar na wereldkampioen waren! Wat dat betreft krijgt de jeugd hier mixed messages.”

U bent zelf ook wel eens uitgefloten door het Nederlandse publiek. Hoe kijkt u daar op terug?

„Dat was moeilijk. Ik vond dat niet terecht. Ik kreeg kritiek vanwege mijn instelling. Maar daar was echt niet veel mis mee. Ik heb er altijd alles aan gedaan om te winnen. Ik was misschien geen Rafael Nadal, maar ik vocht op mijn manier wel. In de zomer ging ik altijd naar Oostenrijk om extra te trainen in de bergen. Langlaufen, fietsen, hardlopen. Ik was voortdurend bezig mezelf beter te maken. Misschien had het met mijn houding te maken. Ik keek altijd naar de grond. Daardoor kreeg ik het verwijt dat mijn schouders hingen. Ik deed dat juist om me te concentreren. Tijdens een training kun je je laten gaan. Op de baan niet. Dan moet je je emoties in bedwang houden.”

Het spelen van Davis Cup beschouwde u bijna als een kwelling.

„Ik tenniste altijd voor mezelf. In de Davis Cup was dat anders. Dan speel je voor je land. Dan wilde ik iets uitstralen. Laten zien dat ik vocht. Maar dat was geforceerd. Ik was mezelf niet. De Davis Cup heeft het slechtste in me naar boven gehaald. Het voelde alsof ik een soort anker was voor het team. Toen ik stopte, haalde Nederland meteen de halve finale. Als Stan Franker [voormalig Davis Cup-captain] en de KNLTB me niet zo zouden hebben geholpen met mijn loopbaan had ik misschien wel direct een streep door de Davis Cup gezet.”

Zou u dat Alec in een mogelijk geval dan ook aanraden?

„Nee! Dat hoeft ook niet. Alec is juist de grootste teamspeler die je je maar kunt bedenken. Die vindt zeven weken competitie al veel te kort.”

Alec groeit op in een tijd waarin het Nederlandse tennistalent ver te zoeken is. Hoe kijkt u daar tegenaan?

„De tijden zijn veranderd. Toen ik tenniste, leidde de bond spelers op tot hun achttiende en gaf hun vervolgens het advies te gaan studeren. Vlak voordat ik prof werd, veranderde dat gelukkig. Franker werd bondscoach en hij professionaliseerde de opleiding van jeugd- naar profspeler. Hij maakte van het Frans Otten Stadion in Amsterdam het Nationale Trainingscentrum. Daar kwam iedereen heen. We maakten elkaar beter. Of, zoals ze in Tsjechië zeggen: ‘Spelers maken spelers’. De talenten zijn later veel te veel verspreid over tennisscholen. Daar komen ze nu een beetje van terug. Alec speelt drie dagen in de week bij de bond in Almere met andere jongens. Daar is hij bij mensen als Martin Bohm, Raemon Sluiter en Paul Haarhuis in heel goede handen.”

Ziet u voor zichzelf een rol als coach voor Alec in het verschiet liggen?

„Nee, ik zie mezelf eerder als een soort adviseur. Ik probeer ervoor te zorgen dat de omstandigheden goed zijn. Dat hij de juiste balans vindt. Als hij een jaar of zestien is, hoop ik dat er coaches zijn die hem de goede kant op sturen. Op het gebied van tennis houd ik me bewust een beetje op de achtergrond. Ik wacht meestal totdat Alec zelf naar me toe komt. Ik vind het vooral belangrijk dat hij plezier in het tennis houdt.”

Hoe kijkt uw vader Petr Krajicek eigenlijk aan tegen de ontwikkeling van zijn kleinzoon?

„Mijn vader is een paar geleden teruggekeerd naar Tsjechië en ziet hem niet veel. Hij heeft het met zijn gezin naar zijn zin in Praag. ‘Ze zien me daar als een milde man. Dat is ook wel eens lekker’, zegt hij gekscherend tegen mij. Niemand die daar naar hem kijkt of op hem let. Het grappige is dat Alec in mei twee weken naar hem toe gaat. Ik blijf dan bewust thuis. Mijn vader zal hem tijdens twee toernooien coachen. Hij zal hem dagelijks op de tennisbaan aan het werk zetten. En op zijn manier met Alec gaan trainen.” Krajicek lacht en zegt: „Dat is goed voor hem. Ziet hij ook eens hoe dat gaat.”