Moedermelk M/V

Wie is de baas over de borst? Uit een studie blijkt dat zoogdierjongen in de baarmoeder al de melkgift bepalen.

Foto Thinkstock

Moedermelk is niet voor ieder jong hetzelfde. De samenstelling en hoeveelheid van het zog hangt af van of de zuigeling mannelijk of vrouwelijk is. En ook het geslacht van voorgaande jongen heeft invloed op de melkgift. Tot die verrassende conclusie komen Amerikaanse onderzoekers na een grootschalige inventarisatie bij melkvee. Koeien met koekalven geven structureel meer melk dan koeien met stierkalven (PLOS ONE, 3 februari).

„Het aantal wetenschappelijke studies dat gedaan is naar sekseverschillen in moedermelk is op de vingers van twee handen te tellen”, zegt eerste auteur van het artikel Katie Hinde via Skype. Hinde, die zichzelf omschrijft als lactatiebioloog, is verbonden aan de vakgroep Humane Evolutiebiologie van Harvard University. „En ja”, zegt ze opgewekt, „er zijn aanwijzingen dat het fenomeen ook bij mensen bestaat! Maar er is meer systematisch onderzoek voor nodig om dat echt hard te maken.”

Een column over jongens- en meisjesmelk die zij een jaar geleden op haar populair wetenschappelijke blog ‘Mammals suck...Milk!’ postte, gaf de aanleiding voor de koeienstudie, vertelt Hinde. „Ik kreeg een reactie van een mij onbekende wetenschapper, die meldde: dat kunnen we wel bij koeien doen. Nou graag, antwoordde ik meteen.”

Zo kwam de samenwerking met de veterinaire groep van Barry Bradford van Kansas State University tot stand. Samen inventariseerden ze de melkgegevens van bijna anderhalf miljoen Amerikaanse Holstein-melkkoeien. Er bleek inderdaad een opvallend sekseverschil. Koeien met dochters gaven in de daarop volgende lactatieperiode gemiddeld meer melk dan koeien met zonen.

Zware bevalling

Maar voor een betrouwbare conclusie moesten nog potentieel storende invloeden worden weggepoetst. Ten eerste bleek het in de VS toegestane productieverhogende hormoon BST de sekseverschillen in melkgift te doen verdwijnen. Ten tweede kan een zware bevalling de melkgift van de koe in de periode daarna flink omlaag brengen. Omdat stierkalven bij geboorte groter zijn dan koekalven komen er bij hen meer geboorteproblemen voor.

Daarom herhaalden Hinde en Bradford hun analyse met de melkgegevens van 113.750 koeien, waarvan ze zeker wisten dat ze geen BST hadden gekregen en geen complicaties bij de geboorte hadden gehad. Opnieuw kwam het sekseverschil naar boven. Was de koe als eerste bevallen van een dochter, dan produceerde zij gemiddeld in de daarop volgende lactatieperiode van bijna een jaar 129 kilo meer melk dan koeien met een stierkalf. Het verschil in melkopbrengst bedroeg ruim 1,5 procent. Beviel de koe daarna nog een keer van een dochter, dan ging de melkproductie opnieuw omhoog.

Overigens zagen de onderzoekers geen wezenlijk verschil in de samenstelling in de melk van dochter- of zoonbarende koeien. Maar omdat de koe met een dochter meer liters geeft, heeft zij aan het eind van de zoogperiode in totaal meer vet en meer eiwit geleverd.

„Dankzij de gestandaardiseerde melktechnieken, de zorgvuldige boekhouding van de melkgift en onafhankelijke controle op de kwaliteit van de melk in de veehouderij konden we de melkgift van heel veel dieren nauwkeurig vergelijken”, zegt Hinde. „Natuurlijk is het wel zo dat deze dieren als landbouwhuisdier zo zijn doorgefokt dat ze veel en veel meer melk produceren dan dat hun voorouder de oeros ooit gedaan zal hebben. Maar ondanks die onnatuurlijke situatie, heeft dit ons een unieke kans gegeven om te onderzoeken hoe zoogdierjongen de melkproductie kunnen regelen.”

Omdat kalveren doorgaans al binnen enkele uren na de geboorte van hun moeder worden gescheiden, zijn de sekseverschillen in de melkgift waarschijnlijk al tijdens de zwangerschap ontstaan. „Dat is echt cool!”, roept Hinde uit, „Want dit heeft nog nooit iemand aangetoond. We denken meestal over melk als een product dat gemaakt wordt door de moeder, maar blijkbaar kan de foetus in de baarmoeder de melkklieren van de moeder beïnvloeden.”

Hinde denkt dat het een hormonaal effect is, en het is volgens haar niet ondenkbaar dat het ook bij mensen bestaat. „Als bij koeien de uitwisseling via de placenta al zo groot is dat hormonen van de foetus de moeder kunnen beïnvloeden, dan moet dat bij de mens zeker kunnen, want bij onze placenta’s zijn de bloedstromen van moeder en kind nog veel meer verweven.”

Tot nu toe heeft het onderzoek hiernaar bij mensen echter elkaar tegensprekende resultaten opgeleverd. Maar dat kan liggen aan de beperkte opzet van deze studies, zegt Hinde. „Wetenschappers hebben alleen nog gekeken naar de samenstelling van moedermelk, niet naar het volume. Maar dan mis je een deel van het verhaal, want het een kan niet zonder het andere. Een tweede tekortkoming is dat er maar heel weinig monsters zijn genomen, en dan is het natuurlijk heel makkelijk om verschillen te vinden. Dat is nu eenmaal de wet van de kleine getallen.”

Het onderzoek zet evolutiebiologen wel aan het denken, zegt Hinde. De bevindingen gaan in tegen een populaire theorie over de investering van moeders in hun nageslacht. Deze zogeheten Willard-Trivers theorie voorspelt dat moeders van dieren waarbij een dominant mannetje diverse vrouwtjes bevrucht, vooral zonen bevoordelen, omdat sterke zonen de kans op nageslacht vergroten.

Hinde: „Waarom zouden koeien dan meer in dochters investeren? Het evolutionaire belang zou kunnen zijn om dochters zo snel mogelijk geslachtsrijp te laten worden. Dochters moeten het hebben van een lange reproductieve carrière, die langer is naarmate die eerder begint. Voor zonen is het belangrijk dat ze groot en sterk zijn om veel nageslacht te krijgen, maar de horizon om dat te bereiken kan voor hen wat verder weg liggen.”

Maar er zijn ook andere scenario’s mogelijk, zegt Hinde: „Misschien is het de foetus die de moeder manipuleert, als een Trojaans paard. Vrouwelijke foetussen kunnen dat misschien beter omdat zij de vrouwelijke hormonen bezitten om dat te bewerkstelligen. Of misschien zit er helemaal geen evolutionair voordeel aan dit fenomeen, en is het simpelweg een gevolg van dat de placenta hormonen uit de foetus doorlaat.”

Uit eerder onderzoek van Hinde bij resusapen bleken moeders wel hun zonen te bevoordelen; zij kregen melk die meer vet bevatte en daardoor ook meer energie leverde. Dochters kregen naar verhouding echter meer melk, waardoor het totale verschil in voedingsstoffen weer wegviel.

De melkgift kan ook tijdens de zoogperiode nog door de zuigeling beïnvloedt worden, zoals iedere moeder weet die wel eens een toeschietreflex heeft gehad. Daarbij spuit melk de tepel uit als de baby gaat huilen. Ook dan zou het geslacht van het jong een verschil kunnen maken. Dat blijkt ook uit een experiment met woelmuizen, waarin onderzoekers lieten zien dat wanneer ze een nest met alleen maar vrouwelijke jongen creëerden de melkgift van de moeders flink toenam. „We hebben aanwijzingen dat het ook bij resusapen zo is”, zegt Hinde, „maar meer kan ik er niet over zeggen, want ik moet het nog publiceren.”