Mijn agressie is iets getemperd

Ann Demeester – geen kunsthistoricus – is de nieuwe directeur van twee Haarlemse musea. „Ik heb me lang incompetent gevoeld”, zegt de Vlaamse bij een Hollandse boterham.

Ann Demeester, de nieuwe directeur van het Frans Hals Museum en De Hallen in Haarlem. „Ik studeer elke avond.”
Ann Demeester, de nieuwe directeur van het Frans Hals Museum en De Hallen in Haarlem. „Ik studeer elke avond.”

Blauwe ogen, oranje lippenstift, in elk oor een gouden hangertje en in de oorschelpen nog een kleine, zilveren piercing. Haar haar, „doorgaans nogal weelderig”, draagt ze, wegens haast vanochtend, in een ingetogen knot. Ann Demeester (37) zit aan een tafel met uitzicht op het Spaarne en drinkt een glas karnejus. Ze is net twee dagen de nieuwe directeur van twee musea: het Frans Hals Museum en De Hallen Haarlem.

Een paar maanden combineerde ze haar nieuwe baan met haar oude. Ze was directeur van de Amsterdamse kunstinstelling Appel arts centre. Die combinatie, zegt ze opgewekt, was een van de allerslechtste keuzes van haar leven. „Keihard werken, prima. Maar dit was hallucinant.” Wat het zo lastig maakte? Het oude, vertrouwde combineren met het nieuwe. „En het nieuwe zelf is schizofreen.” De twee Haarlemse musea hebben elk een eigen gebouw en een eigen collectie. Het Frans Hals Museum: klassiek en zeventiende-eeuws. De Hallen: modern en hedendaags.

„Naar oude kunst kijk ik zoals de meeste mensen naar hedendaagse kunst kijken. In prettige verwondering.” Voor haar is het oude nieuw. Ze begon, op haar vierentwintigste, bij het museum voor actuele kunst in Gent (SMAK). Daarna ging ze naar Herford, Duitsland. Daar was wel een mooi, nieuw museum in aanbouw, maar niks om erin te laten zien. Zij vulde het met hedendaagse kunst en design. Op haar achtentwintigste verhuisde ze naar Amsterdam. Ze was er directeur van W139, een kunstenaarscollectief. En daarna dus van de Appel, ook gericht op kunst van nu.

Eén ding, voor we verder gaan. Was zij, met haar ervaring en cv, niet geknipt voor het Stedelijk Museum in Amsterdam? Het bekendste museum voor moderne kunst zonder directeur. Brede lach. Ze begint aan een antwoord, breekt dat na een paar woorden weer af. „Hoe zal ik het eens formuleren, zonder al te veel te kwetsen?” Nieuwe poging. Ann Goldstein, de opgestapte Amerikaanse directeur van het Stedelijk werd afgeschilderd als de „eenentwintigste-eeuwse versie van een heks. Een ice queen. Dat heeft de reputatie van het museum geen goed gedaan.” Het museum heeft nu een „menselijke bulldozer” nodig. Een puinruimer die het museum intern en extern oppoetst en apaiseert. „Mensen zeggen: ‘Maar Ann, dat kun jij toch goed.’ Ja, misschien. Maar moet ik dat willen?”

Ze is geen carrièrist, zegt ze. „Er wordt zo vaak gevraagd: ‘wat is je volgende stap?’.” Ze sputtert. „Dat weet ik pas als de stap zich aandient.” En dat was de twee-in-eenbaan Frans Hals Museum/De Hallen. „Super exciting.” Keurig achtergelaten door de vorige directeur. Met een prachtige collectie. Een „blokkendoos” waarmee ze eindeloos kan combineren. En waar ze wat kan leren. „Ik studeer elke avond. De bestandscatalogi van wat we in huis hebben, vanzelfsprekend.” Met twee handen geeft ze de dikte aan van de stapel studieboeken: zeventiende-eeuwse schilderkunst, Nederlandse geschiedenis.

Misschien is dit een goed moment om te zeggen dat Ann Demeester twee dingen niet is. Ze is geen kunsthistorica. En ze is geen Nederlander.

Ze had graag kunstgeschiedenis gestudeerd. Maar haar vader vond dat geen goed idee. „Hij verbood het niet. Hij ontraadde het. En ik was heel braaf als kind. Niet bedeesd of verlegen. Maar ook zeker niet rebels.”

Ze groeide op in een dorpje aan de Vlaamse kust. Oudste dochter, één jonger broertje, vader btw-ambtenaar, moeder belastingambtenaar. De eerste van de familie die naar de universiteit ging. Ze koos voor haar andere liefde. Literatuur. „Ik las altijd. Nu nog. Op het verslaafde af. In bed, op de wc, overal.” Een geruststelling voor haar vader. Kon ze altijd nog lerares worden.

En dan gaat nu haar roze bril op, zoals ze zelf zegt. Haar Vlaamse bril. „Als het over het Belgisch onderwijs gaat, sla ik aan het romantiseren. Ik ben nogal een traditionalist.” Belgisch onderwijs, zegt zij, is degelijk en grondig. Taalstudenten kiezen niet voor één taal, maar een taalgroep. Niet óf taalkunde óf literatuur, maar allebei.” In haar geval was dat Germaanse filologie: de taal en literatuur van het Noors, Engels en Nederlands. „Kennis wordt er bij ons Belgen in geramd.” Het megadikke standaardwerk van H.W. Janson, Wereldgeschiedenis van de kunst, kennen alle Belgische studenten van buiten. Oké, toen ze op haar twintigste de oud-IJslandse grammatica moest reconstrueren, vroeg ze zich heus wel af welk doel dat in jezusnaam diende. Maar ze kan nu heel goed uitleggen wat het nut is van ogenschijnlijk onnodige kennis tot je nemen. „Het vormt je denken en het vult je toolbox. Je ontdekt methodes om nieuwe kennis tot je te nemen.”

Ze studeerde af op de postkoloniale Anglo-Indiase cultuur. Heeft dat ook maar iets te maken met wat ze nu doet? Nee. En ja. Let maar eens op hoe ze het samenbindt. Ze bestudeerde de literatuur van in India geboren schrijvers. Salmon Rushdie bijvoorbeeld. Ze spraken Hindi, Urdu of Marathi. Maar ze schreven in het Engels. „Dat leverde een mix op, een bastardization of language. Maar je ziet ook dat hun vertelstructuren, hun taalgebruik doordesemd is met hun afkomst.” Vergelijk het met de taal van Hafid Bouazza. Nederlands, met een snufje Marokkaans.

Dit nu brengt haar op een gedachte-experiment. „Nederland, de Gouden Eeuw. De middenklasse dijde uit en vergaarde fortuin. Waar kwam die rijkdom vandaan? Grotendeels toch uit de koloniën.” Ze zwijgt. „Hier aarzel ik toch...” En dan: „Je zou verwachten iets van die koloniën terug te zien in de schilderkunst uit die tijd. We zien in de genrestukken wel het dagelijks leven gereflecteerd, maar geen Indische landschappen of portretten van plantagehouders? Dat is toch interessant?”

En zo geeft ze, met een omweg, ook antwoord op de vraag of ze als niet-kunsthistoricus wel iets over kunst durft te beweren. „Ik geloof in jezelf scholen, in bijspijkeren. Je interesseren voor literatuur, dans, popmuziek.” Zolang je de beperkingen van je eigen kennis kent, is het niet erg. „Ik heb me lang incompetent gevoeld. Bij alles wat ik over kunst zei, kwam ik met een disclaimer: Let op, ik ben geen kenner.”

Bankkaart

Ann Demeester heeft het café waar we lunchen uitgekozen. Het is op loopafstand van het museum, vandaar. Er staan uitsluitend boterhammen op het menu. Ze neemt een bruine met pastrami. En ze legt uit waarom ze het moeilijker vond om in Amsterdam te wonen dan in Duitsland. „In Duitsland weet je dat alles anders is. De taal, de omgangsvormen, alles. De vergissing is, dat je denkt dat België en Nederland gelijkaardig zijn. Dat zijn ze verre van.” Ze doet er een schepje bovenop. „Het zijn parallelle entiteiten.”

Dan doet ze voor hoe Amsterdammers haar voorheen consequent in het Engels aanspraken. Bij de kassa van de boekwinkel: „Ik vraag: kan ik hier met mijn bankkaart betalen? Verbijsterde blik van de kassajuffrouw. Bankkaart, bankkaart? Alsof ik uit Burkina Fasso kwam. Wat dacht ze? Dat ik met mijn bibliotheekpas wilde pinnen?” Na tien jaar Nederland is haar West-Vlaamse tongval iets afgevlakt, zegt ze.

Dan hoe een Nederlander een conflict oplost: ze plaatst een fictief probleem (het bakje met theezakjes) op de tafel naast haar en kijkt de andere kant op. „Ik zie het niet, dus het is er niet.” Nee, dan een Belg. „Die slaat een andersdenkende verbaal graag op de bek.” Haar agressie is getemperd, zegt ze. „Maar ik blijf een hekel houden aan stroperigheid. Aan dat rond de pot draaien.”

Ze woont graag in Nederland. Ze werkt er graag. Ze heeft al vijf jaar een Nederlandse vriend (daarvoor een Zwitser). Ze wil niet élke keer een boom opzetten over de verschillen. Maar? „Maar dat éten. Daar zal ik nooit aan wennen. Het is niet wat er gegeten wordt, maar hoe ermee wordt omgegaan. Voor een Belg, ongeacht of hij van adel is of arbeider, is het ontzaglijk belangrijk. Een Belg eet goed, los van stand of klasse. Als ik op zondagmiddag bij mijn grootvader lunch, zit de hele familie van 12 tot 6 uur aan tafel. Grootvader, gepensioneerd btw-ambtenaar en heus niet gefortuneerd, schenkt de beste wijnen en champagne.”

Niet dat je er nog iets van merkt, zegt ze, maar de helft van de Haarlemmers is afkomstig van „ingeweken Vlamingen”. Vlaamse arbeiders en vaklieden, op de vlucht voor de inquisitie in hun steden, vestigden zich in de Nederlanden. „Het was een zeventiende-eeuwse braindrain. Een exodus van talent.” Frans Hals kwam ook uit Antwerpen. „Vermoedelijk kwam hij als kind al naar Haarlem.” Hij kwam waarschijnlijk uit een katholiek gezin, dus zijn ouders zullen niet om geloofsredenen zijn vertrokken. „Zijn vader was textielarbeider, de Haarlemse textielindustrie was booming. Hij kwam als arbeidsmigrant hierheen.”

„Van moderne kunst zijn we geneigd te zeggen: ‘dat is moeilijk, dat snap ik niet’. Oude kunst, ja, dat herkennen we als kunst. Frans Hals, dat begrijpen we.” Maar haar zelfstudie heeft haar geleerd dat van Frans Hals weinig bekend is. „Hij had een roedel kinderen, twee vrouwen. Maar waarom hij schilderde wat hij schilderde? Geen idee. Hoezo kennen we Frans Hals? Hij is een totaal enigma.”

Intussen rinkelt haar mobiele telefoon. Ze zet hem uit. De café-eigenaar komt de cafételefoon aan tafel brengen. Haar assistent. De delegatie Duitse museumfunctionarissen die vandaag zou komen, is er bijna.”