In Zaatari wordt niet gedroomd

Van een noodopvang voor Syrische vluchtelingen in Jordanië is tentenkamp Zaatari een stad aan het worden. Met alles wat daarbij hoort: van scholen en supermarkten tot burenruzies en drugs.

Tekst Leonie van Nierop, foto’s Mohammad Hannon / AP

Mahmoud al Sukkari, een van de eerste bewoners van vluchtelingenkamp Zaatari, kan wel klagen over de karige hulp in het kamp, maar de 55-jarige Syriër kan ook aardig ritselen. Hij kreeg voor zijn gezin van acht één kleine kale caravan, maar regelde er drie containers bij en bouwde met een tentdak en een cementvloer een primitief, maar heus huis. Plus patio.

Het is bijna drie jaar geleden dat straatprotesten in Syrië uitmondden in een opstand en een bloedige burgeroorlog, met al meer dan 100.000 doden op de teller. Miljoenen Syriërs zijn intussen het land ontvlucht. Een aanzienlijk deel van hen zit in Jordanië, waar de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties (UNHCR) het grootste vluchtelingenkamp in het Midden-Oosten runt.

Was Zaatari anderhalf jaar geleden nog een noodkamp, met monotone blokken tenten, bedolven onder het stof dat de trucks in de Jordaanse woestijn lieten opstuiven – nu is Zaatari stads. Met asfalt, straatverlichting, scholen en supermarkten. Met burenruzie, criminaliteit, ratten en drugs. En een zelfbenoemd burgemeester. De Duitser Kilian Kleinschmidt (51) is officieel ‘veldcoördinator’ bij de UNHCR. Maar hij noemt zich „de burgemeester”, „de baas” en „de papa” van Zaatari. In zijn klusvest maakt hij inspectierondes over de ruim vijf vierkante kilometer kampterrein. Fronsend ziet hij Syrische jongetjes met kruiwagens de kamppoort omzeilen. Hij laat de smokkelaartjes lopen.

Een zoon van Mahmoud al Sukkari, de zestienjarige Mohammed, loopt ook met een kruiwagen rond te sjouwen. De slungelige puber verdient er een paar euro per dag mee. Waarmee hij stiekem sigaretten koopt, bromt zijn vader. Mohammed wil niet naar school. Hij vindt het „echt niet leuk”, zegt hij zachtjes vanonder zijn pet, en hij ziet het nut er niet van in. In Syrië was Mohammed een brave leerling. In het kamp in Jordanië verloor hij zijn interesse in leren, en zijn vader de greep op zijn zoon.

Evenzo verloor de UNHCR vorig jaar de controle over de 100.000 Syrische vluchtelingen in Zaatari. Buitenlandse hulpverleners en Jordaanse agenten werden in elkaar geslagen en met stenen bekogeld, vertelt Kleinschmidt. Hij kon het kamp niet in, omdat demonstranten de poort blokkeerden. Er werd zoveel elektriciteit gestolen dat de hoofdkabels doorbrandden. Chaos, kortom.

„We krijgen te weinig hulp”, verklaart Al Sukkari. Zo moppert hij dat hij niet eens een gasfles heeft om de geleverde kacheltjes mee te stoken. Hij vertelt er niet uit zichzelf bij dat hij de gasfles heeft verkocht om nog een caravan te kopen. Daarom ook verkocht hij dekens die hij van de UNHCR kreeg, en vele voedselbonnen. Iedere familie heeft nu eenmaal zijn eigen prioriteiten, en noden. Al Sukkari’s dochter Hajar heeft psychische problemen en wilde een eigen caravan. Dus klaagt de vader over kou.

Kleinschmidt maakt een andere analyse met betrekking tot de onrust. Vergeleken met de kampen in Afrika, waar hij eerder werkte, is Zaatari luxe, zegt hij. „Er is hier een discrepantie tussen de grote ontevredenheid en de grote hoeveelheid hulp.” Zijn verklaring is complex. Eén belangrijke reden is de woede van de Syriërs jegens het Westen, meent Kleinschmidt, omdat militaire interventie uitblijft.

Zo direct is vader Al Sukkari niet. Politiek onderlegd is hij ook niet. Maar hij zegt wel dat de miljarden uit Europa niet genoeg zijn. „We hebben meer nodig. We moeten terug naar huis. Maar het Westen wil het probleem in Syrië niet oplossen.” Het probleem in Syrië is volgens de kampbewoners president Assad, die al bijna drie jaar genadeloos zijn tegenstanders straft.

Uit het kamp ontsnapt

Een andere reden voor de chaos in het kamp, zegt Kleinschmidt, is het enorme verloop. Zo’n 400.000 Syrische vluchtelingen gingen er al doorheen sinds het kamp anderhalf jaar geleden werd ingericht. Daarvan trokken er zo’n 60.000 vrijwillig terug naar Syrië, bijvoorbeeld om te vechten. Nog eens 60.000 Syriërs mochten zich dankzij een Jordaanse sponsor vrij in Jordanië vestigen. Bijna 100.000 Syriërs zitten nu in het kamp. De overige 180.000 zijn gewoon verdwenen. Uit het kamp ontsnapt. En nu waarschijnlijk ergens in Jordanië, waar volgens de regering meer dan een miljoen Syriërs leven.

De oudste zoon van vader Al Sukkari, Emad (28), woonde een jaar en vier maanden in Irbid, een Jordaanse stad nabij Zaatari, voor hij naar het vluchtelingenkamp kwam. Emad voelde zich geïsoleerd in Irbid, al had hij zijn vrouw en vier kindertjes bij zich. Hij voelde dat de Jordaniërs hen met de nek aankeken. Bovendien was er geen werk en werd het leven onbetaalbaar. Hij voegde zich een maand geleden bij zijn familie in Zaatari. Hij woont in de vijfde caravan van de Sukkari’s. Zijn vrouw Salam (24) heeft geraniumstekjes in

yoghurtemmertjes in autobanden gezet. Voor de gezelligheid.

De tweede zoon van Al Sukkari, Ali (21), vertrok kort na aankomst in Zaatari weer naar Syrië, omdat hij zijn studie economie wilde afmaken. Hij werd meteen opgepakt door het regime. Na zes maanden cel kocht zijn moeder een rechter om en haalde ze haar zoon terug naar Zaatari.

Volgens Ali werd hij opgepakt omdat hij een computer had. Hij grinnikt. „Ze dachten door die laptop dat ik de protesten in ons dorp organiseerde. Maar de agenten waren zelf te dom om de computer te onderzoeken.” Hij lacht niet meer als hij sporen van marteling laat zien. Er zijn sigaretten uitgedrukt op zijn scheenbeen.

Dit is een groot verschil met vluchtelingen van een tsunami, zegt Kleinschmidt. „De oorlog gaat door. Meer dan de helft van de huishoudens hier wordt geleid door een vrouw. Hun mannen zijn ginds aan het vechten, ze zijn gewond of dood.” ’s Nachts zijn bombardementen te horen. De grens met Syrië ligt amper twaalf kilometer verderop. Elke dag komen er weer nieuwe vluchtelingen, met verse verhalen.

De raket die haar leven veranderde

Vader Al Sukkari draagt in de zak van zijn sleetse joggingpak een brief die Ali hem in de gevangenis schreef. Geregeld belt hij zijn oudste dochter, die met haar man in Syrië bleef, om haar te overtuigen naar Zaatari te komen. Een gewonde vriend die de familie in het kamp bezoekt, laat op zijn telefoon beelden van zijn drie dode broers zien. Maryam al Sukkari (8) kijkt nieuwsgierig mee. Haar moeder laat het toe. Het kind is haar onschuld al verloren. Het kan levendig vertellen hoe één raket haar leven veranderde. „Ik had mama toen net gevraagd om pasta te maken!” Grote ogen.

Het was 14 augustus 2012 toen de raket van het leger van Assad een geparkeerde truck van de familie Al Sukkari raakte, in het dorp Karak al Sharqi in Zuid-Syrië, vlakbij de stad Deraa.

De ontploffing zette hun twee woongebouwen in lichterlaaie. De familie bleef ongedeerd. Maar de vader besloot ogenblikkelijk zijn restaurant, supermarkt en gasflessenhandel te sluiten en met zijn gezin te vluchten. „Syrië werd te gevaarlijk.” Jordanië lag voor de hand. Dichtbij en bekend terrein. Tussen het zuiden van Syrië en het noorden van Jordanië waren altijd veel handelsrelaties en sociale contacten.

Ook deze achtergrond van de vluchtelingen in Zaatari is volgens kampleider Kleinschmidt oorzaak van wanorde in het kamp. „Ze komen bijna allemaal uit Deraa en omgeving. Dit zijn speciale mensen. Handelaren en topsmokkelaars, die de officiële grens nooit hebben gerespecteerd. Bovendien is hun gebied door Assads regime altijd verwaarloosd. Het is geen toeval dat de opstand drie jaar geleden in Deraa begon. Deze Syriërs zijn rebellen in hart en nieren. Ze haten regels en autoriteiten.”

Het kostte Kleinschmidt maanden om het respect van de Syrische vluchtelingen te winnen. Daartoe at hij avond na avond met wat hij „de abu’s” noemt: degenen die zich opwierpen als leiders van de vluchtelingen. Ze verkochten volgens Kleinschmidt illegale connecties naar het elektriciteitsnetwerk. „We hadden een rekening van een half miljoen dollar per maand. Daarvan was 90 procent gestolen.” De illegale kabels doorknippen kon niet, meent Kleinschmidt, dan zouden er rellen uitbreken. „Heel langzaam hebben we de abu’s overtuigd dat kortsluitingen niet in hun belang zijn, en dat wij enige controle nodig hebben. We leggen ze beetje bij beetje meer restricties op. Zoals een limiet op de elektra.”

Vader Al Sukkari is geen leider van een groep vluchtelingen, maar ook hij maakte zich schuldig aan illegale praktijken, geeft hij toe. Zo smokkelde hij tweedehands ijskasten het kamp binnen. Dat kan niet meer, nu de Jordaanse autoriteiten en de UNHCR een diepe geul rond het kamp hebben gegraven. Bij dat graven werden de graafmachines gemolesteerd door jongetjes. Volgens Kleinschmidt zijn zij daartoe aangezet door grote smokkelaars. De laatste dagen ziet hij de shabab, jongetjes, opgewonden rondspringen. Hij vreest dat ze drugs, vermoedelijk xtc, krijgen.

Afgezien daarvan is Kleinschmidt best tevreden over de huidige situatie. Het kamp biedt veel meer diensten dan anderhalf jaar geleden, toen de vluchtelingen schreeuwend om matrassen aan de hekken rukten. Ook de veiligheid in het kamp is het afgelopen jaar flink verbeterd. De geruchten dat Zaatari een sekskamp is waar Jordaniërs goedkoop komen vrijen, wuift Kleinschmidt lachend weg. Natuurlijk kent Zaatari prostitutie: Deraa kende bordelen. Maar groepsverkrachtingen enzo? Nee.

Onderwijs is nog steeds een probleem. Al gaat ook dat beter. Voor de zomer gingen er slechts 4.000 van de 30.000 leerplichtige kampkinderen naar de scholen van UNICEF. Nu tellen die 12.000 leerlingen. Maar de klassen zijn veel te groot, zegt Kleinschmidt, het niveau is slecht en de scholieren zijn ongemotiveerd. „De shabab willen liefst smokkelaar of strijder worden. Ook hun ouders schatten onderwijs niet op waarde. Het zijn handelaars, die geen verband zien tussen een opleiding en geld.”

Anders dan zijn wat oudere broertje Mohammed, die met zijn kruiwagen bijklust, gaat Youssef al Sukkari (15) wel naar school. „Ik vind het ook stom want alle kinderen maken ruzie en ik leer er niks. Maar ik ga om de tijd te doden.” Zijn meerderjarige broers Emad en Ali zijn jaloers op hem. Ali wil verder studeren, Emad is ongeletterd en wil leren lezen en schrijven. Voor hun generatie is er in het kamp niets te beleven, zeggen ze. Geen activiteiten of centra. Ze vervelen zich te pletter.

Emad speelt wel met zijn vier kleintjes. Met water en zand. Ali ligt de hele dag in twee leren jassen op een matras te hoesten. Hij is chronisch verkouden en wil niet naar buiten. Hij zet via zijn mobiele telefoon gedichten op Facebook. Hij draagt voor: „Oh mijn leven, waarom verraadde je me en gooide je me tussen de tenten van Zaatari? Was ik thuis geen ijverige student? Was ik niet gezond en gelukkig in mijn dorp? Oh mijn leven, ben je nu tevreden of geef je helemaal niet meer om mij?”

Ali en andere vluchtelingen van begin twintig worden mentaal misschien wel het zwaarst getroffen door Syrische crisis. Zij stonden juist op het punt hun vleugels uit te slaan. Ze begonnen een studie en dachten aan trouwen. Uitgesloten, zonder geld. Jongens als Ali zijn teruggeworpen in de moederschoot.

Het gaat al een stuk beter met Ali, zegt zijn moeder Najah (54), die zelf door diabetes de hele dag op bed ligt. Zij maakt zich veel meer zorgen om haar dochter Hajar (23), die volgens haar „in shock” verkeert, sinds het Syrische regime aankondigde dat het korte metten zou maken met alle tegenstand in het dorp. Dat was twee dagen voor hun huizen afbrandden. Eerst kreeg Hajar hallucinaties. Daarna bleef ze schreeuwen: „Ze willen ons doden! Ze willen ons verkrachten!” Ze verloor vier maanden lang haar geheugen, herkende haar eigen familie niet meer. Weigerde te eten en te praten.

Hajar laat haar moeder nog steeds niet toe in haar geblindeerde caravan. Alleen haar schoonzus Salam mag soms naar binnen. Zij treft Hajar vaak met haar hoofd onder een laken. Soms is Hajar kalm, soms nerveus, soms kwaad. Ze is depressief, denkt Salam, en heeft het leven opgegeven. Hajar wil niet naar een psycholoog, want ze is niet gek, zei ze tegen Salam. Haar moeder knikt en snikt. „Iedereen in het dorp was jaloers op mij omdat ik zo’n leuke dochter had. Zo slim en zo sociaal.”

Om zulke kwetsbare gevallen te bereiken moet Kleinschmidt de macht van de abu’s breken, zegt hij. De meeste hulp moet natuurlijk naar de zwaksten gaan, niet naar de sterksten. Wat helpt bij het accepteren van orde en structuur door de abu’s, zegt Kleinschmidt, is dat „het besef doordringt dat de vluchtelingen voorlopig in Zaatari blijven”. Hij denkt dat de verovering van Qusair door het Syrische leger, met hulp van de Libanese Hezbollah, afgelopen juni een omslag in het denken veroorzaakte.

En inderdaad zeiden de vluchtelingen in het kamp anderhalf jaar geleden nog dat ze, „inshallah, als God het wil”, de volgende dag naar huis zouden gaan. Nu vrezen Ali en Emad dat de oorlog „eeuwig” duurt. Ze vechten niet mee omdat er niet genoeg wapens zouden zijn, en ze lijken ook niet in een overwinning te geloven. De opstandelingen – het Vrije Syrische leger en extremistische groepen als Al Qaeda – bevechten elkaar, en het regime van Assad wil niet van wijken weten. Vredesonderhandelingen leverden nog niets op. Vader Al Sukkari wijst op de Palestijnen, van wie sommigen al 65 jaar niet naar hun huizen zijn teruggekeerd. „En zij hebben hun sleutels nog. Onze huizen zijn er niet eens meer.”

Winkelstraat ‘Sham Élysées’

In Zaatari proberen de vluchtelingen opnieuw een leven op te bouwen. Zo hebben ze zich hun caravans en tenten eigen gemaakt. Sommigen bouwden er met stenen een muurtje omheen. Anderen maakten van hun oude tent een luifel. Of ze blijven in hun tent en gebruiken hun caravan als winkeltje. Er zijn nu kappers, wasserettes, bruidswinkels en fietsenmakers. Volgens Kleinschmidt wordt in de grote winkelstraat ‘Sham Élysées’ – een samentrekking van de Parijse avenue en Sham, een Arabische naam voor Syrië – maandelijks bijna 10 miljoen euro omgezet.

Kleinschmidt vindt het prachtig. En hij moedigt eigen initiatief ook aan. „Wij leren heel veel van de vluchtelingen”, zegt hij. We gaven ze gemeenschappelijke toiletgebouwen, maar ze willen een wc voor zichzelf. Dat 70 procent een wc bij hun caravan of tent bouwde, is problematisch vanwege gebrek aan rioleringen. Maar dat proberen we nu op te lossen. Natuurlijk willen mensen privacy.”

Zijn plannen gaan nog veel verder. Kleinschmidt laat Amsterdamse stedebouwkundigen naar het kamp kijken. Hij haalt windmolens en zonnepanelen uit Scandinavië. Er komt openbaar vervoer in het kamp. Hij wil stoppen met het uitdelen van eten en de vluchtelingen debetkaarten geven zodat ze naar de nagelnieuwe supermarkten kunnen. Kleinschmidt: „Een winkelwagentje maakt blij en trots”.

UNHCR wil de vluchtelingen op den duur ook laten betalen voor de geleverde diensten. Want, zegt Kleinschmidt, deze mensen moeten op een dag hun land weer opbouwen. „Laten we deze tijd gebruiken om ze krachtig en deugdzaam te maken, en naar de 21ste eeuw te brengen. Als ze terugkomen met de houding dat alles gratis moet zijn, wordt het nooit meer wat met Syrië.”

Kampleider Kleinschmidt is zich ervan bewust dat hij als bestuurder niet democratisch is gekozen. Maar zijn functie is tijdelijk, zegt hij. „Mijn taak is het kamp gelijkschakelen met Jordaanse steden en het dan aan de regering in Amman overdragen.” De Jordaanse autoriteiten zijn nu al nauw betrokken bij de ordehandhaving. Waren ze anderhalf jaar geleden nog haast onzichtbaar in het kamp, nu hebben ze caravankantoren met stenen vloeren, fauteuils en tissuedozen erin, en tanks ervoor.

Kleinschmidt noemt Jordanië „heel tolerant en behulpzaam”. En dan zegt hij: „Op de wijze waarop Jordanië de grens bewaakt, wil ik geen commentaar geven”. Hij is het overduidelijk oneens met het recente sluiten van het noordwestelijke deel van de grens met Syrië, waardoor nieuwe vluchtelingen tientallen kilometers moeten omlopen en compleet uitgeput in Zaatari arriveren. Als ze al arriveren. Het aantal nieuwkomers hier daalde van 4.500 per dag naar 300 de laatste maanden. Dat heeft deels te maken met beperkingen in Syrië, maar ook met de Jordaanse grensrestricties.

Nooit meer een aardappelveld

Jordanië, arm aan grondstoffen, lijdt zwaar onder de massale toestroom. En het vreest dat het de Syriërs op den duur staatsburgerschap moet verlenen. Kleinschmidt wil de Syriërs in Zaatari juist laten integreren. „Waarom zouden de honderdduizenden Syriërs buiten het kamp in Jordanië huur betalen en zij in Zaatari niet? Dit moet op den duur een echte stad worden, want er ligt al zoveel infrastructuur, hier zullen mensen blijven wonen. Zaatari wordt nooit weer een aardappelveld.” Zaatari is nu al, wat het populatiecijfer betreft, de op vier na grootste nederzetting in Jordanië.

Emad al Sukkari maalt helemaal niet om democratie en burgerrechten, zegt hij. Dat deed hij ook niet in zijn Syrische geboortedorp, dat hij tot anderhalf jaar geleden nooit had verlaten. „Ik ben nog nooit in Damascus geweest. Kan mij het schelen wie het land regeert. Ik wil gewoon goed leven.” En Emad is graag zelfredzaam. Maar dat is lastig zonder inkomen. En banen zijn er nauwelijks in het kamp.

Hooguit eens per twee maanden kan een van de mannen van de familie Al Sukkari een week lang de straat schoonvegen, voor 45 euro. Serieus smokkelen vinden ze nu een te groot risico. Er gaan verhalen over boetes, celstraf en verbanning uit Zaatari. Maar met ruilen komt de familie een heel eind. Vers fruit eet de familie al lang niet meer. „Ik moet prioriteiten stellen”, zegt de vader. Zo verruilde hij etenswaren voor een tv. Hij weet nu alles van de vredesconferentie Geneve II.

In Syrië had de familie wel vier televisies. Ze woonden in het grootste wooncomplex van het dorp, met elf kamers en een garage. Vader Al Sukkari toont een beduimeld fotoboekje. Hun huis met pilaren, bedekt met bougainville, naast een bron. Zijn vrouw zucht en zegt dat ze het zo mist om in de tuin te zitten, onder de citroenbomen. In Zaatari zijn geen bomen. Ze wassen zich hier met kommen gekookt water achter een wollen deken. „Als in de Middeleeuwen.” Als de moeder zegt dat ze droomt van terugkeer, zegt haar romantische zoon Ali streng: „In Zaatari zijn geen dromen”.

Maar de Al Sukkari’s hebben toch geluk, zeggen ze. Ze leven. Ze voelen zich veilig in Zaatari, en vrij. Ze zijn blij met hun caravans, waarin ze beter zitten dan in een tent, omdat ze tegen de spaanplaten kunnen leunen. Er zijn ook minder ratten. En voor een enkeling gaat het leven gewoon door. Adari al Sukkari vindt net als andere twaalfjarige meisjes elders ter wereld school wèl leuk, en jongens stom.