Een thriller vol adrenaline

Van gsm’s in de koelkast tot het stukslaan van harde schijven in de kelder van The Guardian – het is moeilijk om géén spannend boek te schrijven over Edward Snowden en de NSA.

Wanneer Edward Snowden zijn hotelkamer in Hongkong verlaat, zet hij een glas water met daarnaast een tissue achter de deur. Op het tissue maakt hij een vlek van sojasaus. Bij terugkomst kan hij dan zien of er iemand in de kamer is geweest: is er water op de vlek gekomen dan is die van vorm veranderd.

Als Edward Snowden en de journalisten Glenn Greenwald en Laura Poitras elkaar voor het eerst ontmoeten in het Mira hotel in Hongkong weten ze niet van elkaar hoe ze er uit zien. Ze hebben afgesproken naast een plastic krokodil.

Mocht u met een klokkenluider van een omvangrijke geheime dienst een gesprek willen voeren en u wilt even van de radar, leg alle mobiele telefoons dan in de ijskast.

Luke Harding, verslaggever van The Guardian, weet hoe je een verhaal moet vertellen. Zijn gisteren verschenen The Snowden Files barst van de beeldende details. Tegelijk: een boek met alle spectaculaire feiten over de onthullingen die de journalistiek en politiek nu ruim een half jaar in hun greep hebben, is moeilijk te verpesten.

Een ogenschijnlijk gewone computernerd, ‘een bleke, stakerige, zenuwachtige, ongelooflijk jonge man’ werkt met soortgelijke bleke jongens in Genève, Japan en Hawaii aan computers van de Amerikaanse geheime dienst NSA. Als systeembeheerder kan hij bij geheime documenten en interne netwerken. Zo krijgt hij zicht op hoe ver de diensten hun ambities hebben opgeschroefd – tot op de grenzen van de wet en daaroverheen, tot aan een utopie van totale transparantie en volkomen controle.

De jongen, tegelijk megalomaan en bescheiden, gelooft in een kleine overheid en individuele vrijheid. Hij heeft een exemplaar van de Amerikaanse grondwet op zijn bureau. Als adolescent speelde hij het Japanse computerspel Tekken waarin krijgers het opnemen tegen het kwaad. Hij besluit op eigen houtje de praktijken van de NSA en zijn Britse tegenhanger GCHQ aan het licht te brengen. Zijn onthullingen schokken wereldwijd regeringen en burgers – al laat het ook velen volstrekt onverschillig. Politici- internetbedrijven, het publiek – iedereen moet zich schikken in de nieuwe werkelijkheid, vooral Amerika. Er verandert uiteindelijk vermoedelijk niet veel, maar naïviteit over internet is verdwenen en de illusie van digitale privacy is verleden tijd.

Paniek

Harding komt niet met grote nieuwe dingen, maar de vele bijzonderheden over mensen, locaties en gebeurtenissen maken dat de krantenverhalen gaan leven; je ziet de verfilming al voor je. Memorabele, All the Presidents Men-achtige scenes zijn: redacteuren van The Guardian die op een zomerse zondag door de GCHQ gedwongen worden in de redactiekelder hun eigen computers met slijptollen te vernielen. Snowden die voor het laatst door de ondergrondse gang van het NSA-centrum op het Hawaiiaanse eiland Oahu naar buiten loopt. Een topfunctionaris van het Witte Huis die in paniek tegen de New Yorkse hoofdredacteur van The Guardian gilt: „Jullie publiceren niet!”

Het boek opereert meer in de breedte dan de diepte. Toegang tot Snowden kreeg Harding niet, de journalisten met wie Snowden contact opnam, de Glenn Greenwald en Laura Poitras en vele collega’s lijkt hij wel te hebben gesproken. Maar voor het grootste gedeelte baseert hij zich op de digitale knipselmap en het schijnbaar getrouw nareizen van alle locaties waar het verhaal zich afspeelt. We weten dus nog steeds niet hoe Snowden de 60 á 70.000 documenten naar buiten smokkelde (usb-sticks ?). We weten nog steeds niet wie opdracht gaf tot het afluisteren van Angela Merkels telefoon, als het Obama niet was.

Wel krijgen we het hele panorama. Snowdens lotgevallen wisselt Harding af met hoofdstukken over wat zich op krantenredacties afspeelt, met heldere, maar beknopte portretten van de geheime diensten, met overzichten van de reacties wereldwijd en typeringen van de verhouding tussen pers en politiek in het Verenigd Koninkrijk en de VS.

Helden en boeven zijn in het boek overzichtelijk gerangschikt, als in een computerspel of film. Aan de ene kant de moedige, kalme Snowden en de journalisten die eerst niet weten wat ze overkomt, maar vervolgens, op een enkele ruzie na, geen fouten maken. Ze varen immer vaste koers en bieden koelbloedig het hoofd aan de dreiging van de overheid en geheime diensten. Meteen na de eerste publicatie wordt op een woensdagavond laat de straat voor de New Yorkse redactie van The Guardian opengebroken. Laptops haperen opeens, glazenwassers hangen rond bij het gebouw zonder glazen te wassen.

De baddies in dit boek zijn behalve de geheime diensten, het Witte Huis en Downing Street ook de grote internetbedrijven. Hier wordt juist steeds moord en brand geschreeuwd en pr-blunder op intimidatiefout gestapeld. Harding neemt flink de ruimte om af te rekenen met de Britse regering die bot probeerde The Guardian van publicatie af te houden en met de concurrentie die de primeurs niet overnam.

Gedeeltelijk, zo observeert Harding, is het een generatiekwestie dat politici en NSA-topdogs bij digitale klokkenluiderij steeds achter de feiten aanlopen. Snowden en zijn oud-collega’s zijn opgegroeid met hun vingers op het toetsenbord, de virtuele wereld is hun moederland, de echte wereld interesseert ze minder. Tegen een langdurig verblijf in de gevangenis ziet Snowden niet eens zozeer op, hij komt toch niet graag buiten. Maar de gedachte dat hij in zijn cel geen computer zou hebben, jaagt hem de stuipen op het lijf. De topmannen van de Amerikaanse geheime dienst James Clapper en Keith Alexander zijn in de zestig en zeventig; democrate Dianne Feinstein die in het Amerikaanse Congres toezicht houdt op de geheime diensten, is in de tachtig.

Het is telkens David versus vele Goliaths in dit boek, één zachtmoedige, verlegen samoerai die de strijd aanbindt tegen het Kwaad. Harding zet niet alleen Snowden tegenover het Witte Huis en de NSA, maar ook de Britse kranten tegenover de Amerikaanse en The Guardian tegenover de New York Times. Als er na publicatie van de eerste verhalen in het feestgedruis een cappuccino omgaat, pakt Alan Rusbridger, hoofdredacteur van The Guardian, ostentatief The New York Times om de troep mee op te deppen. Later deelt zijn krant toch de documenten met The New York Times, om druk van de Britse overheid te omzeilen.

Adrenaline

Hardings boek barst van informatie, maar het mist reflectie. Hij verdiept zich bijvoorbeeld niet in het waarom van de datahonger van de geheime diensten, de bedrijfscultuur, de illusie elk risico uit te sluiten met totale controle. Evenmin gaat het over het digitale exhibitionisme van de consument, versus de verontwaardiging over privacyschending bij de burger. The Snowden Files leest als de spreekwoordelijke thriller, maar het vergelijken met werk van Kafka en LeCarré, zoals The New York Times deed, is te veel eer. Dit boek wordt voortgestuwd door adrenaline, een sterk rechtvaardigheidsgevoel en journalistiek triomfalisme – niet door achtervolgingspaniek, morele ambiguïteit en weemoedige berusting in het menselijk tekort. Ook is Harding erg van het overstatement. Aan superlatieven en ‘momenten die de wereld voorgoed veranderden’ geen gebrek.

Dat neemt niet weg dat dit spannende, eerste journalistieke overzicht een must is voor wie de ontwikkelingen rond de NSA volgt. Zeker totdat de rest van de stapel Snowden/NSA-boeken verschijnt, onder meer het boek van Greenwald zelf.