De ruimte is rond en de aarde is plat

Joyce Roodnat

Vincent Icke, Robert Zemeckis, Welkom in het bos, Marcel Wanders.

Zondagochtend, elf uur. Het is vroeg en het is mooi weer, maar Paradiso zit vol voor de lezing van Vincent Icke. Hij is sterrenkundige, kosmoloog, beeldend kunstenaar. En, laten we dat niet vergeten, een aangename deadpan performer. Vanmorgen spreekt hij over de verhouding tussen de wetenschap en sciencefiction.

Vrolijk spottend stelt Icke het wetenschappelijk tekort vast van álle SF-films. Om te beginnen negeren die collectief de relativiteitstheorie. Je kunt in principe lichtjaren ver reizen, maar keer je terug, dan is dat in de verre toekomst. Icke rekent voor dat het om duizenden jaren kan gaan. Toch keren filmruimtevaarders steevast terug in hun eigen periode. En dat, zegt Icke, is net zo idioot als een film die het erop houdt dat de aarde plat is.

Deugt er dan niets? Jawel, Icke kent er één: Contact. Een film uit 1997.

Hij laat een scène zien, met wetenschappers die signalen uit de ruimte opvangen, zegt vergenoegd: „Het is zó echt.” Hij is om te beginnen dol op Jodie Foster. Verder prijst hij de accuratesse van de sputterende lijnen op de computerschermen en van de koortsachtige reacties van de onderzoekers.

Ik ga naar de bibliotheek en huur die film. Hij blijkt geregisseerd te zijn door Robert Zemeckis, Hollywoods favoriete nerd. De man die bijna dertig jaar geleden de klassieker Back to the Future maakte.

Contact is een typische Zemeckisfilm. Druk en charmant. Icke heeft gelijk, de relativiteitstheorie wordt in acht genomen. En ik neem op zijn gezag aan dat het met die wormgaten, waarmee je de tijd te snel af kunt zijn, ook goed zit. Inderdaad, daar kan je lang op wachten, bij Star Wars en zo.

Maar vind ik ’m daarom zo goed als ik ’m vind? Nee, dat zit in dat langdurige Alice in Wonderland-shot: het toont een klein meisje in een spiegel aan het einde van een gang met een bocht – onmogelijk en toch gebeurt het. Dat gedwarrel van woorden, berekeningen en grafieken in Contact? Eh... het kan me gestolen worden.

Welkom in het bos heet het smakelijke toneelstuk van Alex van Warmerdam dat dezer dagen opnieuw wordt gespeeld. Ik voel geen horizon. Hier is alleen dat bos, in een wereld die weleens plat zou kunnen zijn. Elfjes bestaan niet? Wel waar. Een vrouw ziet er één (Pierre Bokma, in herenkostuum). Ze knipt hem zijn vleugels af, want hij hindert haar.

Ja, zo maf is het en ik vraag me geen ogenblik af of dit allemaal kan. Van Warmerdam laat met dit stuk zien dat hij misschien wel de beste Nederlandse toneelschrijver is, smid van een wereld die helemaal op zichzelf staat. Erbuiten is niets. Erbinnen bewegen de actrices Hadewych Minis en Tiny Bertels zich alsof ze er zijn gepoot, als wufte groente. (Kijk naar ze. Geniet van ze. Vrouwen kunnen ‘nu eenmaal’ niet grappig zijn? Vergeet dat.)

In het Stedelijk Museum bedwelmt ontwerper Marcel Wanders me met zíjn wereld, een universum vol opgetogen ontwerpen. Een ademende paspop. Delftsblauwe tatoeages voor de onderarmen van pianiste Iris Hond. Kroonluchters in aardewerken torenklokken. Het was allemaal nergens voor nodig en toch maakte Wanders het. Kan het? Ja hoor. Alles kan.

Maar nu de SF-films. Voor mij zijn ze mythologie. Star Trek varieert op Ilias en Odyssee. De meeste zijn metaforen voor de menselijke conditie. Gravity is wetenschappelijk gesproken onzin, dat zie ik zelfs. Maar dat bezwaar is niet relevant voor deze film. Die grijpt een ruimtereis aan om de loodzware gewichtloosheid (de contradictio is opzet) te verbeelden die een moeder voelt als ze rouwt om haar gestorven kind.

Vincent Icke mailt dat het nou ook weer zijn bedoeling niet was om alle SF-films „de zak te geven”. Hij waardeert ze als sprookjes maar betreurt dat er bij het maken van die films „zo weinig gebruik wordt gemaakt van de schoonheid van de wetenschap”. Vandaar zijn vraag: „Waarom ziet zo’n wormgat er (…) uit als een slecht gefilmde rit in de wildwaterbaan van de Efteling?”

Filmbazen? Hoort u mij? Betrek nou eens Vincent Icke bij die films. Serieus! Dat zou een knal van gewicht kunnen opleveren.

In mijn geheugen suddert dé scène over de oerknal tussen de wetenschap en Hollywood. Hij zit in Insignificance, tegelijk drama en existentieel gedachtenexperiment, van cineast Nicolas Roeg. In die film legt Marilyn Monroe de relativiteitstheorie uit aan Albert Einstein. In haar iconische witte opwaaijurk beveelt ze hem vervolgens: „En nu moet jij míj jouw benen laten zien.”

Het resultaat is een andere wereld.