De man die Floyd Patterson ‘a pretty good hook’ gaf

foto merlin daleman

Leen Jansen groeide op in Crooswijk, de Rotterdamse volksbuurt die nooit uit hem verdween, ook al woonde hij de voorbije drie decennia op het Zeeuwse platteland. Tot kort voor zijn dood op 27 januari gaf hij boksles, in zijn boksschool net buiten Sint-Maartensdijk. Daar reed hij vanuit zijn woning in het dorp vrijwel elke dag heen in z’n elektrische invalidenautootje; als gevolg van twee auto-ongelukken was hij slecht ter been. Na zijn overlijden kon men in de boksschool afscheid nemen. Jansen was opgebaard in zijn eigen ring.

Als beroepsbokser won hij weliswaar drie nationale titels, maar de oudere broer van profbokser Aad zou altijd worden herinnerd aan dat gevecht op de Olympische Spelen van 1952 in Helsinki met Floyd Patterson. Jansen, 21, trof de 17-jarige Amerikaan in de kwartfinale van het middengewicht, en ging in de eerste knock-out. „Als een plank viel ik voorover op de houten vloer”, zei Jansen toen hij in 2002 in deze krant terugkeek op dat gevecht. De Amerikaan werd olympisch kampioen, en vier jaar later, als prof, de jongste wereldkampioen in het zwaargewicht.

De Amerikaanse sportverslaggever Red Smith wijdde op 2 augustus 1952 een column aan Patterson-Jansen. Hij introduceerde de Rotterdammer als „a moon-faced Dutchman named Leonardus E. Jansen”. Smith vertelt hoe Jansen „a pretty good hook” uitdeelde, waardoor Patterson even van slag raakte. Na een linkse hoek van Patterson „lag de Nederlander plat op zijn brede en mannelijke boezem, z’n linkeroor op het canvas, z’n armen en benen gespreid”. De Britse scheidsrechter telde Jansen uit. „Hij had opnieuw kunnen tellen in het Nederlands, Fins en Siamees”, schreef Smith, „zonder Jansen in z’n dutje te storen.” Jansen werd door z’n helpers naar zijn hoek geholpen, „en schudde z’n hoofd om de mist te verdrijven. Hij wreef in z’n nek, waarschijnlijk in de veronderstelling dat hij van achteren was neergeschoten”.

Na Helsinki werd Jansen prof, pas vier jaar later zou hij een partij verliezen. Tegen Duitsers was hij extra gemotiveerd, omdat zijn oudere broer Jan, van wie hij als kind boksles kreeg, in een Duits concentratiekamp was omgekomen: „Ik sloeg ze helemaal de tering.” In totaal vocht Jansen ruim 200 partijen, waarvan 71 als prof (won er 60, 27 door KO). In oktober 1967 verloor hij in Rotterdam zijn laatste partij, op punten.

Op zijn rouwkaart, met een foto van Jansen in klassieke bokspose, de tekst: ‘Een knock-out zit er altijd in/zo’n harde joekel op je kin/maar langzaamaan door je knieën gaan/dat komt vaak nog harder aan’.