Mijn zwarte moeder is deze week overleden

Scherpe keien en doornig stuikgewas probeerden de zachte onderkant van mijn Landrover te raken, toen ik in 1984 voor het eerst Busuké opzocht in haar kraal in het droge noorden van Kenia. Nooit eerder had er over dit ruwe terrein een auto gereden. Busuké greep mijn hand. „Dank aan God, mijn zoon is gekomen”, prevelde ze en spuugde op mijn handen.

Busuké was een vrouw van de Samburu, een nomadenvolk in de harde maar rechtvaardige bush. De wereld van waterkranen, elektrisch licht, ziekenhuizen, scholen, salaris en welzijnsorganisaties kende ze niet. Ze voelde zich beschermd door de communale levenshouding van haar volk.

Tijdens een grote droogte vroeg ik haar wat ze verwachtte van de overheid. Ze hurkte achter een geit en een dun straaltje schoot uit de verdroogde uiers in de kalebas. „Heel goed, God is met ons.” Dat het slecht met haar ging, dat ze dreigde te sterven van honger, nee, ze klaagde nooit. De vraag hoe de regering haar kon helpen, bracht een uitdrukking van verbazing op haar gezicht. „Wie is de regering en waarom zou ze ons helpen”?

Een jaar na mijn eerste bezoek legden krijgers een weg voor mij aan. De mooiste periode in het leven van een Samburu-man is zijn krijgerschap van zeven jaar. Hij maakt zich mooi en gaat achter de meisjes aan. Met Busukés zonen Lonis en Leparaole struinde ik over de vlaktes, om ’s avond weer in haar iglo van koeienstront terug te keren.

Alle krijgers verkozen haar onderkomen voor thee en verhalen. In haar hut lagen comfortabele en schone huiden, zonder gedroogd snot of etensresten. Ze vertelde je over het verleden. „Toen we nog geen voedsel van stokken aten, waren we sterk en gezond”, leerde ze de les. Ze bedoelde: toen de krijgers nog alleen bloed dronken en vlees aten, niet maïs zoals nu.

Kwamen Lonis en ik uit de stad, dan eiste ze steevast: „Doe je kleren uit”. Ze wilde geen ongemakkelijke broeken zien maar luchtige omslagdoeken. Haar zonen kregen kritiek als ze al twee weken met hetzelfde vriendinnetje sliepen. Dit was vóór het Aidstijdperk, toen de ouderen nog een sekspositieve houding bij hun kinderen propageerden. „Hoe meer seksuele relaties voor het huwelijk, hoe beter”, vond ze.

Een waarzegger had Busuké op jonge leeftijd verteld dat ze een blanke zoon zou krijgen. Pas onlangs vertelde ze me dat verhaal. „Eerst had ik twee zonen. Toen kwam er een nieuwe bij, en die blanke dat was jij”, vertelde ze me. „Jullie krijgerschap was de gelukkigste periode in mijn leven. Ik kreeg het respect van een moeder met drie kinderen. Dat gaf me kracht.”

De enige keer dat ze naar een dokter ging, was de oogoperatie voor staar, waartoe ik haar had aangezet. De ingreep mislukte en ze werd blind. De afgelopen jaren leefde ze in duisternis in haar hut. Blij als iemand haar een verhaal kwam vertellen. „Ik hoor nu meer verhalen dan vroeger. Vroeger duurden reizen lang en wekenlang hoorde je geen verhalen. Nu ben je zo weer thuis, want de wereld is zo klein geworden.”

Mijn zwarte moeder is dood.

„Ik zeg tegen iedereen dat het me goed gaat, maar ik weet dat ik er binnenkort niet meer ben”, vertelde ze aan Lonis. Deze week is ze overleden. Ze moet een jaar of tachtig zijn geweest. Haar lichaam is begraven. Ze is niet, zoals tot voor kort gebruikelijk, buiten de kraal gelegd voor de hyena’s. „Dat is verandering”, vertelt Lonis me. „We moeten het accepteren. Zelfs Busuké was zich daar de laatste jaren van bewust geworden.”