‘Alles wat jurist is in mij, komt in opstand tegen anonieme klachten’

Bij Kees Schuyt komen alle beroepszaken over wetenschappelijke fraude en integriteit terecht. „Ik ben geschokt door de geheimzinnige manier waarop de Vrije Universiteit de zaak-Nijkamp behandelt.”

Foto David van Dam

Kees Schuyt (1943) dacht in 2006 een rustige commissie te gaan voorzitten, naast zijn werk als lid van de Raad van State. Schuyt was gevraagd als nieuwe voorzitter van het Landelijk Orgaan Wetenschappelijk Integriteit (LOWI). Dat beroepsorgaan was in 2003 opgericht voor klachten over schendingen van wetenschappelijke integriteit. „Hooguit twee vergaderingen per jaar. Dat was me door Frits van Oostrom, de president van de KNAW, voorgehouden”, zegt Schuyt. Behalve socioloog is hij ook jurist, een goede combinatie voor deze functie. Tot 2011 behandelde het LOWI al 4 à 6 zaken per jaar. Na de fraudeaffaire rond de Tilburgse sociaal psycholoog Diederik Stapel is dat aantal enorm gestegen. Het afgelopen jaar kreeg het LOWI een recordaantal van 19 beroepszaken voorgelegd.

„Door alle publiciteit over wetenschapsfraude weet men nu beter waar je terecht kunt met een klacht binnen een universiteit en dat er een beroepsmogelijkheid is bij het LOWI. We hebben het ook druk met telefoontjes van potentiële klagers en van beklaagden, die zich liever laten informeren door een neutraal, landelijk orgaan omdat ze hun eigen universiteit enigszins wantrouwen.”

Wat is de aard van al die zaken?

„Drie typen zaken keren steeds terug. Kijk maar op onze website met gepubliceerde adviezen. Dat is openbare kennis; daar mag ik over spreken. Over lopende zaken zeg ik niets. We krijgen ten eerste veel klachten van mensen die het oneens zijn met uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek. Maar debat en meningsverschillen horen bij wetenschap, dat is juist goed. Zulke klagers maken we duidelijk dat het LOWI er niet is om wetenschappelijke twistpunten te beslechten.”

Een tweede, groeiende categorie is wat Schuyt ‘grote woorden voor kleine fouten’ noemt. „Fraude en plagiaat zijn die grote woorden. We krijgen dan te horen dat het erger is dan Stapel, terwijl het bijvoorbeeld blijkt te gaan om een verkeerde verwijzing die de klager als wetenschapsfraude ziet. Een beklaagde schrikt zich rot als hij bij de commissie wetenschappelijke integriteit moet komen voor zoiets en voelt zich in de kou gezet door de eigen universiteit. Begrijp me goed, deze klagers wijzen terecht op fouten, maar niemand is foutloos en dit soort fouten kunnen eenvoudig worden gecorrigeerd. Bij ernstige fouten geven we een waarschuwing wegens onzorgvuldigheid, maar dat is nog geen schending van wetenschappelijke integriteit. Het wordt anders als we een patroon van onzorgvuldigheid ontdekken in iemands werk. Dan hangt het van omstandigheden af wat het oordeel wordt.”

De derde soort zaken vormen serieuze vermoedens van schendingen van wetenschappelijke integriteit. Vooral het tussengebied van questionable research practices bezorgt het LOWI hoofdbrekens. „Echte fraude is gemakkelijk te herkennen, helemaal als het wordt toegegeven, zoals Stapel deed. Zulke zaken komen ook niet bij het LOWI. Grove plagiaatzaken zijn ook simpel, iedereen kan vaststellen of er grote lappen tekst zonder bronvermelding zijn gekopieerd. Maar in situaties waarin de klager spreekt van zware schending van integriteit en de beklaagde het houdt op een fout moeten we vaak externe deskundigen inschakelen om een oordeel te kunnen vormen.”

Is de afhandeling van klachten door universiteiten verbeterd na de Stapelzaak?

„De winst van de Stapel-affaire is dat veel universiteiten sindsdien veel transparanter omgaan met fraudezaken. De standaardreactie van onder de pet houden is grotendeels verdwenen. Er zijn uitstekende rapporten verschenen over andere geruchtmakende zaken zoals die rond internist Poldermans en psycholoog Smeesters. Allemaal voor iedereen controleerbaar. De Erasmus Universiteit loopt echt voorop, maar er zijn ook universiteiten waar nog veel te winnen valt.”

Bijvoorbeeld?

„Als LOWI-voorzitter doe ik liever geen uitspraken over individuele universiteiten, maar ik ben geschokt door de manier waarop de Vrije Universiteit onderzoek heeft gedaan naar het proefschrift van Karima Kourtit, de promovenda van Peter Nijkamp. Ik wil niet ingaan op de onregelmatigheden die NRC Handelsblad en de Volkskrant menen te hebben gevonden bij het doorlichten van het werk van Nijkamp. Daar kan ik de details onvoldoende van beoordelen. Wat ik heb gemist in de berichtgeving is aandacht voor procedurele gebreken in de zaak van deze jonge onderzoekster, wier carrière nu vernietigd dreigt te worden. Iedereen doet een beetje lacherig over ‘zelfplagiaat’, maar ik wil op iets veel wezenlijkers wijzen. De VU heeft een ernstige fout gemaakt door een commissie aan het werk te zetten op basis van een anonieme klacht. Ik vind het onbegrijpelijk dat de regeling bescherming wetenschappelijke integriteit van de VU anonieme meldingen toestaat terwijl het gronddocument van VSNU, KNAW en NWO uit 2001 het in behandeling nemen van anonieme klachten verbiedt.”

Waarom zijn anonieme klachten taboe?

„Omdat het indruist tegen het principe van een fair trial. Een beklaagde heeft recht op een zorgvuldige procedure waarbij hoor en wederhoor kan worden gepleegd. Dat is onmogelijk bij een anonieme klager. Je geeft op die manier ruimte aan roddel en achterklap en creëert een sfeer van achterdocht en wantrouwen aan de universiteit. Integriteitsklachten kunnen op deze manier misbruikt worden om concurrenten uit te schakelen. Het is iets anders als een klokkenluider in een zwakke positie anoniem wil blijven en niet als klager wil optreden. In zo’n geval kun je iemand bijvoorbeeld beschermen door een hoofd van een andere afdeling als klager te laten optreden. Maar dan heeft de klager een gezicht en is hoor en wederhoor gewaarborgd. Of je werkt met een klokkenluidersregeling. Mijn voornaamste contra-argument is: je kan anonieme klagers niet aansprakelijk stellen indien het valse beschuldigingen blijken te zijn, zoals bij elke andere klachtregeling.”

Bij de zaak-Stapel ondernam het Tilburgse College van Bestuur zelf stappen na een melding van klokkenluiders.

„Ja, dat kan ook, maar daar vond het onderzoek plaats door een externe commissie, die haar bevindingen openbaarde. Maar de VU stelde een commissie in van wie de namen niet eens terug te vinden zijn in de samenvatting van het commissierapport dat de VU heeft gepubliceerd op de VSNU-website. Ik weet alleen via de media de naam van de voorzitter [Pieter Drenth, red.]. Aan die samenvatting valt bovendien geen touw vast te knopen. Er staat in dat ‘hergebruik van eigen teksten zonder verwijzing naar de oorspronkelijke bron’ plagiaat is conform de geldende regels. Ik begrijp niet naar welke regels de commissie hier verwijst. De commissie schept hier ter plekke een nieuwe regel, die niemand voordien kende en niemand nu begrijpt. De samenvatting bevat een opmerkelijke conclusie, die mijns inziens had moeten leiden tot een ongegrond verklaring van de anonieme klacht, als die al mag worden behandeld. Want denk even logisch na: de commissie adviseert dat de promotie mag doorgaan na herstel van ‘tekortkomingen’. Bij tekortkomingen denk ik aan kleine fouten, niet aan plagiaat, kennelijk gaat het over die zelfcitaties, hergebruik van eigen teksten. Welnu: als de promotie mag doorgaan, is er dus geen sprake van plagiaat in de gebruikelijke zin van het woord, waar hele tekstblokken worden overgenomen. De anonieme klacht blijkt dus vals te zijn geweest en dat is precies waarvoor ik de universiteiten wil waarschuwen. Als je een anonieme klacht toestaat, kunnen anonieme klagers elke promotie – die al goedgekeurd is door een commissie – tegen gaan houden.”

Hoe kijkt u als jurist aan tegen de samenvatting?

„Die is volkomen onder de maat. Men moet kunnen weten wat de klacht behelst, wat de beklaagde ertegenin heeft gebracht, welke bewijsmiddelen er op tafel zijn gekomen, welk tegenbewijs er bestaat en het meest cruciale: welke bepaling van de Beroepscode is geschonden en wat de commissie daarvan vindt. Al deze juridisch essentiële zaken ontbreken. Het contrast met andere adviezen is schrijnend. Zulke zaken horen openbaar te worden gemaakt, die kun je niet achterhouden met een beroep op privacy. Niemand kan nu iets controleren. Dit is een geheim proces geweest, dat haast gaat lijken op een heksenproces. Nu een tweede anonieme klacht van dezelfde klager in behandeling is genomen tegen hetzelfde proefschrift, verwacht elke jurist een toepassing van de ne bis in idem regel [dat niemand voor de tweede keer voor hetzelfde feit mag worden berecht of gestraft, red.], maar kennelijk bestaat die niet in deze procedure. Alles wat jurist in mij is komt hiertegen in opstand. Als meer universiteiten anonieme klachten accepteren wordt straks het hele systeem van zelfregulering van integriteitskwesties opgeblazen. Dan kunnen universiteiten erop wachten dat de politiek ingrijpt en dat ze een model opgelegd krijgen zoals het medisch tuchtrecht. Dat kan ook werken, maar dan krijgen onderzoekers met rechters te maken die minder goed begrijpen hoe het wetenschapsbedrijf werkt. Maar als integriteitscommissies dit soort geheime processen voeren, is het misschien toch beter om het buiten de eigen organisatie te leggen.”

Wat vindt u van de roep om aanscherping van de Nederlandse gedragscode wetenschapsbeoefening naar aanleiding van de zaak-Nijkamp/Kourtit ?

„Na de Stapelzaak hoorde je ook al roepen om strengere regels. Er zijn uiteindelijk maar twee bepalingen bijgekomen in de beroepscode: de verplichting om nevenfuncties te vermelden en de bepaling dat toedekken van fraude ook een integriteitsschending is. Het komt erop neer dat je niet mag liegen en niet mag stelen. Ik zie niet in hoe je die punten moet aanscherpen. Je moet als wetenschapper zorgvuldig en transparant zijn, dan moet de behandeling van integriteitsklachten eveneens zorgvuldig en transparant zijn.

„De VSNU en de KNAW willen de regels nu aanvullen naar aanleiding van de discussie over hergebruik van eigen teksten en zelfplagiaat. Ik zie weinig in deze overhaaste aanpassing op onderdelen, mede omdat hergebruik van eigen teksten geen probleem is als je netjes verwijst, waarbij ik weer buiten de discussie wil blijven over hoe Nijkamp dat heeft gedaan. Wat me wel een goed idee lijkt, is om de hele gedragscode eens in alle rust geheel te herschrijven. Er staan diverse rare formuleringen in en het is ook goed om duidelijker te maken wat precies niet mag. Een goede omschrijving van wat geldt als plagiaat is zeer wenselijk. Ook moeten onderzoek en onderwijs beter van elkaar worden gescheiden. Maar wat nu dreigt te gebeuren is dat er hapsnap wat zinnetjes worden toegevoegd. Daar heeft niemand wat aan.”