Al die stompzinnige adviezen die je ongevraagd krijgt

In de rubriek ‘Het nabestaan’ praten mensen over verlies, rouw en hoe het leven verder gaat. Daaronder staat een necrologie van een niet per se bekende persoon.

Mine: „Ik zie zoveel terug in Emma wat me aan Henk doet denken.”

Emma: „Mijn moeder zegt dat ik, net als hij, een ‘schouwer’ ben – ik kijk graag naar mensen, observeer graag.”

Mine: „Ze heeft exact dezelfde slaaphouding als Henk: ene hand onder haar oor, andere hand in een merkwaardige draai onder haar kin. Het ontroert me nog steeds als ik dat zie.”

Emma: „Mijn vader was verslaafd aan stroopwafels. Ik ook.”

Mine: „Soms reageert ze exact hetzelfde als Henk deed. Een heel goeie vriendin van ons komt af en toe logeren; ze heeft lange, rode haren, die we dagen na haar vertrek nog tegenkomen. ‘Kijk, gezellig, zo is Katrien nog wat langer bij ons!’, kon Henk dan zeggen. Emma zei op haar derde een keer woordelijk hetzelfde.”

Emma: „Ik vind het fijn op die manier met m’n vader vergeleken te worden. Ik was nog geen twee toen hij overleed. Zelf heb ik geen enkele herinnering aan hem. Ja, soms, in een flits, voel ik heel even dat we samen zijn, als in een soort fotomoment. Maar misschien is dat inderdaad meer een herinnering, die opduikt omdat mijn moeder veel foto’s van ons samen heeft gemaakt.”

Mine: „Twee maanden voor Emma’s geboorte zei Henk dat hij zich niet goed voelde: malaise, pijntjes. ‘Ach, mannen! Stress, hij wordt vader’, dacht ik. Twee maanden later was de oorzaak duidelijk: terminaal ziek, nog maar een paar maanden te leven. Het werd uiteindelijk anderhalf jaar.”

Emma: „Soms zeggen mensen, leeftijdgenoten, maar ook volwassenen: ‘Fijn dat je niet bewust hebt meegemaakt dat je vader ziek was en dood ging, dan heb je daar tenminste geen nare herinneringen aan.’ Dat kan me echt boos maken. Dan gaan ze voor mij invullen hoe ik me moet voelen.”

Mine: „Ja, dat raakt haar echt. Dan moet ze stoom afblazen als ze thuiskomt.”

Emma: „Hallo, ik heb mijn vader niet gekend! En daar moet ik dan blij om zijn?”

Mine: „Ik herken die boosheid. Vooral in de eerste drie jaar na de dood van Henk ben ik zó boos geweest – op iedereen, op alles. Totaal in de war. Vreselijke gevoelens en gedachten, dwars door elkaar. ‘Heksen in mijn hoofd’ die ik maar niet weggejaagd kreeg.

„Ik was boos op mezelf, omdat ik dacht dat ik niet genoeg van Henk gehouden had, alsof ik zijn dood had kunnen tegenhouden wanneer ik nóg meer voor hem gezorgd en gedaan had.

„Ik was boos op m’n hele leven. Behoorlijk wat pech en tegenslag gehad. Henk was als reddende engel komen aanvliegen. Stabiele factor – hij had rust, veiligheid, liefde gebracht. Hij was creatief, meubelmaker, kon met eindeloos geduld z’n werk doen. Ik ben expressiever, explosief. We wilden een kind. Ik had enkele miskramen. Eindelijk verliep de zwangerschap goed, maar ons kind was nog amper geboren of we hoorden dat het haar vader zou verliezen.

„Ik was boos op zó veel mensen om me heen. Voelde me vaak onbegrepen. Al die goedbedoelde maar stompzinnige adviezen die je ongevraagd krijgt. Van mensen die niet eens de tijd en moeite nemen om naar je te luisteren en wel meteen roepen: ‘Zeg, weet je wat jij ’s zou moeten doen ...?’

„En onverwacht herenbezoek, hè. Mannen die ik vaag kende, mannen van vriendinnen die opeens op de stoep stonden. ‘Ik was toevallig in de buurt en ik dacht: ik wip ’s even aan.’ Leuk bedachte woordspeling in die openingszin – maar ik heb ’m te vaak gehoord. En mannen die meteen op de stoep stonden als ik een klusje in huis voor hen te doen had. Ze raffelden ’t af, en dan: ‘Zo, nou heb ik zeker wel wat lekkers verdiend.’ Nee, daar bedoelden ze dan geen koekje bij de koffie mee. Sommigen konden daar heel direct in zijn: ‘Jij staat al zo’n tijd droog en als jij er niet over praat – van mij zal niemand ooit iets horen...’

„In het begin denk je: wat overkomt me nou...? Naarmate ik meer las over rouw en verlies, naarmate ik meer vrouwen sprak die ook weduwe waren, begon ik de patronen te zien. Als je je partner verliest, valt sowieso de helft van je vrienden en kennissen weg. Daar is onderzoek naar gedaan. Mensen lopen weg voor de dood: dat is te eng, te moeilijk om over te praten. En bij de andere helft zitten heel wat mensen aan wie je niks hebt: oppervlakkige praatjes, maar iets voor je dóen, ho maar.

„Gelukkig zijn er dan ook de mensen die zich ontpoppen als goede feeën en heiligen – die aanvoelen wanneer je gewoon je verhaal even kwijt wilt en die al dingen van je overnemen voordat je erom gevraagd hebt. Dat zijn je vrienden voor het leven. Goud waard.

„Alles bij elkaar heeft het wel een jaar of zes geduurd voordat ik het gevoel had dat ik op de puinhopen weer een nieuw leven had opgebouwd. Toen dacht ik: ik wil een boek schrijven over wat ik de afgelopen jaren als weduwe heb meegemaakt”.

Emma: „Ja, daar had ze het steeds vaker over, als ze weer eens wat had meegemaakt. ‘Ik zou er wel een boek over kunnen schrijven!’ Ik zei: ‘Mam, doen!’”

Mine: „Maar het zou nogal wat vergen om alles weer in m’n herinnering terug te halen. Het gaat over Henk, aan wie ik niet meer kon vragen of ik alles wel zomaar kon opschrijven. Het gaat over Emma, die eerst nog klein was en die ik niet wilde belasten met allerlei verhalen die zwart-op-wit in een boek gedrukt zouden staan.”

Emma: „Ja, dat zei ze, en ik zei: ‘Doe het nou gewoon’. Ik vind het gaaf: een boek van m’n moeder, waardoor ik ook mijn vader beter leer kennen.”

Mine: „Uiteindelijk gaat het boek vooral over mij. Het schrijven heeft me zelfvertrouwen gegeven, ik kan weer liefde en respect voor mezelf opbrengen. M’n eindeloze twijfel is weg: heb ik voldoende gedaan voor Henk? Heb ik Emma voldoende liefde en veiligheid gegeven? Pas nu durf ik volmondig ‘ja’ te zeggen. Wij hebben ’t gered, samen.”