Achtergrond Het schaatsen wil nóg dominanter worden, met de hulp van drie andere sporten

. Kijk niet vreemd op als de Nederlandse schaatsploeg over twee weken thuiskomt met vijftien medailles, waarvan zes of zeven goud. Of zelfs meer. Niet alleen vanwege een rijke langebaantraditie, van Ard Schenk tot Sven Kramer, van Yvonne van Gennip tot Ireen Wüst.

Het is juist te danken aan inlineskaters, shorttrackers en marathonschaatsers dat het grootste schaatsland ter wereld zijn potentieel eindelijk ook op olympisch niveau gaat benutten.

Het was 8 februari 2004 – precies tien jaar geleden – toen schaatsminnend Nederland met verbijstering toekeek hoe Chad Hedrick en Shani Davis er bij het WK allround in Hamar met ‘ons’ goud en zilver vandoor gingen. Ineens stonden daar in het Vikingskipet twee volkomen onbekende Amerikanen – een rolschaatser uit Texas en een donkere shorttracker uit Chicago. Als een Wimbledonfinale tussen een Indonesische badmintonner en een Chinese tafeltennisser.

De conservatief denkende Nederlandse schaatswereld was wakker geschud. Hedrick en Davis wezen de weg naar een totaal andere wereld. In Sotsji heeft TeamNL op de langebaan medaillekandidaten met schaatsers die ook succesvol zijn in het shorttrack (Jorien ter Mors), het inline-skaten (Ronald en Michel Mulder) en het marathonschaatsen (Jorrit Bergsma en Bob de Jong). „De ogen van de langebaanschaatsers zijn geopend”, zegt Bart Veldkamp, schaatscoach van veelvoudig wereldkampioen inlineskaten Bart Swings.

Inliners zijn mentaal veel sterker

Langebaanschaatser kunnen juist veel leren van inliners, stelt bondscoach Desly Hill, een Australische oud-inliner die geldt als wegbereidster van de combinatie tussen beide disciplines. Inliners rijden, net als shorttrackers, soms wel zes of zeven races op een dag: rijders worden daar fysiek en mentaal veel sterker van dan van de geestdodende zomertrainingen op de fiets, zoals de traditie voorschreef.

Technisch heel anders dan schaatsen? Hedrick, en eerder landgenoten als Derek Parra, toonden al dat een inliner succesvol kan overstappen naar de langebaan, die wél de olympische status heeft. Inmiddels doen sommigen het zelfs tegelijk. Sprinter Michel Mulder won vorig jaar een wereldtitel in beide sporten. En de Belg Swings, drie jaar geleden nog een bezienswaardigheid met zijn negentiende plaats op het EK allround, is in Sotsji medaillekandidaat en wordt geprezen om zijn schaatstechniek.

De indringers op wieltjes, die moeiteloos aanhaakten op ijzers, toonden nog iets anders aan: het langebaanschaatsen was, ondanks een topsporttraditie van meer dan honderd jaar, veel minder ontwikkeld dan veel schaatscoaches dachten.

Shorttrackers staan langer op het ijs

Ook vanuit het shorttrack kwamen nieuwe inzichten. Lange tijd was de spektakelsport op de krappe indoorbaantjes in Nederland een ondergeschoven kindje. Tot de KNSB in 2006 een shorttrackprogramma begon. Onder de non-conformistische coach Jeroen Otter sloot Nederland vanaf 2010 aan bij de wereldtop. In Sotsji behoren shorttrackers tot de medaillekandidaten. De langebaan profiteerde mee.

Jorien ter Mors werd enkele jaren geleden door Otter de vierhonderdmeterbaan opgestuurd om met snelheden te kunnen trainen die ze op haar ‘eigen’ baantje van 111 meter nooit kan halen. Binnen een jaar versloeg ze bij het NK allround meervoudig wereldkampioen Ireen Wüst. „Ik wilde dat ik in mijn jeugd structureel had kunnen trainen met shorttrack”, verzuchtte Wüst destijds. „Ik denk dat wij te lang vasthouden aan onze tradities. Wij kunnen leren van inlineskaten en het shorttrack.”

De trainingsaanpak van de shorttrackers is wezenlijk anders dan die van de langebaanschaatsers. Otter brengt met zijn shorttrackers meer uren door op het ijs om eindeloos te schaven aan de techniek, het diep zitten, de krappe bochten. „Ik denk dat de langebaners veel beter zouden kunnen schaatsen als ze wat minder aandacht zouden geven aan die fysieke component, en meer aan de techniek”, zei Otter vorig seizoen over de opmerkelijke opmars van Ter Mors.

Marathonschaatsers worden toppers

De traditionele allroundopleiding bracht Nederland na Kramer geen nieuwe kampioenen op de vijf en tien kilometer. Het marathonschaatsen bood uitkomst. Gretha Smit haalde in 2002 vanuit de marathon al zilver in Salt Lake City.

Na 2010 zette Jillert Anema, ook al een coach die buiten de gebaande paden denkt, de BAM-ploeg op de kaart. Ondanks veel geruzie met de bond leverde de ploeg met Bergsma, Bob de Jong en Bob de Vries klinkende prestaties in marathons op kunst- en natuurijs. En op de langebaan. Weg met de stokoude wet dat schaatsen op natuurijs funest is voor de fijne techniek op kunstijs. En achteloos na een race op het olympisch kwalificatietoernooi nog even een marathon van honderd ronden rijden, zoals Bergsma in december deed.

Onder dit bizarre regime versloeg de marathontopper vorig jaar bij de WK afstanden, ook in Sotsji, wel ‘gewoon’ Kramer op de tien kilometer. De TVM-kopman trok onderweg naar de Spelen zijn conclusie. Om goud te halen op de lange afstanden moest ook hij kiezen voor een meer op duurwerk gerichte aanpak à la Anema. Dus laat hij zich in zijn ploeg inmiddels bijstaan door de geharde marathonrijders Douwe de Vries en Christijn Groeneveld.

Nieuwe wegen zoeken, zoals de pioniers Otter, Hill en Anema: „Het gaat erom dat je met een open blik naar dingen kijkt, dat je creatief durft te zijn”, zegt Veldkamp. Het Nederlandse schaatsen ontwikkelt zich eindelijk door. Waarschijnlijk wordt de multidisciplinaire aanpak het nieuwe model bij het opleiden van talent.

„Maandag shorttrack, dinsdag ijshockey, woensdag langebaan en donderdag marathon”, schetst Veldkamp een denkbeeldig trainingsschema. Otter denkt zelfs dat bij de Spelen van 2022 alle schaatsers multidisciplinair zijn opgeleid. Hoog tijd dat het land dat bij één graad vorst al hunkert naar een laagje ijs zijn ongeëvenaarde schaatscultuur daadwerkelijk omzet in medailles.