112

M ijn nagels zijn tot op de wortels afgekloven. Mijn vingers doen pijn, ik bijt nu vanaf de zijkant, om te voorkomen dat ik een zenuw raak, om die pijnscheuten te vermijden die elke keer dat ik met mijn tanden een zenuwvezel raak als kleine bliksemschichten door me heen jagen, die korte schokjes die mijn vingers, knokkels en handen laten verkrampen. Als ik buiten ben, moet ik wanten dragen om het ijselijke gevoel van onbeschermd weefsel dat in aanraking komt met de buitenlucht wat te dempen. Ik probeer mijn vingers in mijn handpalmen te verbergen. Gebalde vuisten.

Hou vol. Zo simpel is het ongeveer. Of zo moeilijk. Als een bezwering tegen iets, of voor iets. Slechts dat ene, korte zinnetje, die twee woorden, uit een krant geknipt, vergeeld aan de randen, opgeplakt op de deur naar de gang, naar de ogenschijnlijke eindeloze reeks kamers en deuren van het ziekenhuis, naar de Eerste Hulp, de parkeerplaats, de ambulances, de mensen, een krantenknipsel met twee woorden: Hou vol. Zwart op wit.

De bank met de grove stof, de bruine bekleding, ik zit naar de andere ambulancechauffeurs te kijken. Ze lezen de krant, zetten de radio aan, proberen de nieuwsberichten te horen, maar de antenne werkt niet mee, wil niet blijven staan, hij valt opzij zodra je hem loslaat. Het is half acht ’s ochtends, het is dinsdag, een dinsdagochtend in februari, en er zijn daarbuiten zoveel mensen die gered moeten worden, zoveel mensen die liggen te wachten, naar het plafond liggen te staren, of die hun ogen gesloten hebben, ze proberen de pijn in hun rug te negeren, in hun benen, in hun armen, hun ademhalingsproblemen, of ze zijn al in shock, zijn apathisch, het maakt hun niet uit of er iemand komt, maar dat gebeurt wel, er zal iemand komen om ook jou te redden, we zullen ervoor zorgen dat de antenne overeind blijft staan, we zullen de kranten lezen, onze koffie drinken, en jij zult worden ontdekt, iemand zal bellen en over jou vertellen, we zullen onze jassen aantrekken, naar de ambulances rennen, we zullen je uit je kamer halen, je weer op de been helpen, we zullen je alles geven wat je maar terug wilt hebben, maar je moet wel eerst worden gevonden. Je moet volhouden, waar je ook bent.

Maar toch, dat doe je niet altijd.

Soms heb je het al opgegeven als ik kom.

Zoals in mijn eerste week, net aangenomen bij de ambulance, ik had nachtdienst, maar het zal tegen de ochtend geweest zijn toen we de melding binnenkregen, vlak voordat mijn dienst erop zat, we kregen een telefoontje, een wanhopige man die zei dat er iets vreselijks was gebeurd in zijn flatgebouw, we troffen je aan in je appartement, op de vloer, je lag op je rug voor de televisie, naast de bank, ingepakt in doorzichtig plastic. Je had jezelf in plastic gewikkeld en alle openingen dichtgestopt, want je wilde niet gevonden worden, wilde niet dat we je op onze reuk vonden, door de gangen zouden lopen snuffelen, de trappen op, bij jou naar binnen, dus had je je verstopt. Maar er is altijd wel iemand die zich dingen gaat afvragen, altijd iemand die nerveus wordt, en uiteindelijk hebben we je gevonden. Twee maanden te laat. We hebben de zak niet opengemaakt.

Waarom doe je dat?

Waarom wikkel je jezelf in plastic en ga je voor de tv liggen?

Waarom hou je niet vol?

We verlieten het appartement, belden de juiste nummers, vulden de papieren in, probeerden de buren te kalmeren, en ik kon het niet laten hun te vragen waarom ze niet eerder waren gaan nadenken, waarom ze niet hadden gereageerd op de post die uit de gleuf van haar brievenbus puilde, op het feit dat ze haar nooit meer in het portiek zagen, haar voeten niet op de vloer hoorden, op de televisie die nooit werd uitgezet en die maar door de dunne wandjes heen bleef brommen.

Maar zolang je hoort dat de televisie aanstaat, is er leven.

Zolang je nog televisie kijkt, kun je niet doodgaan.

Schijnbaar.

Ik moet de laatste tijd weer veel aan haar denken. Het is al een flink aantal jaren geleden. Maar nu is ze er weer, op de een of andere manier duiken de beelden van haar sinds kort weer op, als een stuk speelgoed dat je later, heel veel jaren later, op zolder terugvindt.

Ik ben naar haar begrafenis geweest. Uit pure nieuwsgierigheid. Zoals ik al verwacht had, kwamen er niet veel mensen opdagen. Een man of zes, zeven, we zaten verspreid door de grote kerk, alsof we een wanhopige poging deden die te vullen, we legden onze jassen, mantels naast ons, breeduit, zodat ze zo veel mogelijk plaats innamen, en als de dominee sprak, dreunden zijn woorden tegen de ramen, ketsten af op de wanden en werden naar hem teruggekaatst, je kon horen dat ze simpel klonken, hol. Daarom hield hij het kort, gaf alleen maar de banaalste informatie, hoe ze heette, hoe oud ze was geworden, hij zei iets over haar werk, ze had een paar jaar als programmeur voor een computerbedrijf in het centrum gewerkt, dat was nu al een aantal jaren geleden, maar ze was een gewaardeerde collega geweest, ze zei niet zoveel, maar werd gewaardeerd. Ze was altijd een beetje op zichzelf, typisch, met haar neus bijna in het computerscherm. Ik zat in de grote witte ruimte en probeerde haar voor me te zien, voor de computer, in een groot kantoorlandschap, waar het getik op de toetsen en het suizen van de airco haar slaperig maakten, ze zat naar het scherm te kijken, naar de getallen, drukte op de juiste toetsen, ze ontrafelde codes en programmeerde nieuwe zodat alarmen afgingen bij inbraken en deuren konden worden gesloten, zodat geldtransacties veiliger werden, de browser sneller.

Ik probeerde haar voor me te zien, in de maanden en jaren voordat ze zichzelf in plastic inpakte en zich liet vinden, bijna onherkenbaar voor ons, ondanks het doorzichtige plastic, maar ze had blond haar en droeg een blauwe broek en een wit T-shirt toen ik binnenkwam om haar te halen, en de tv stond aan, misschien Ricki Lake, een of andere talkshow, ik weet het niet meer en ik denk nu ook niet meer dat het belangrijk is om daar achter te komen, dat het iets zou betekenen, het is net zo toevallig als al het andere, maar het zou een talkshow geweest kunnen zijn, want er werd gelachen of geschreeuwd, dat was niet goed te horen, mensen op sofa’s, en ik zette het apparaat uit.