Zeezon en wapengezang bij de ruwe Speerknechtfjord

‘Terwijl de zomer verstreek bleef Gisli in zijn onderaardse schuilplek en hij was steeds op zijn hoede. Hij was ook niet van plan weg te gaan, want hij voelde dat elk toevluchtsoord voor hem was toegesneeuwd en de jaren die hem in zijn dromen waren toebedeeld waren nu helemaal voorbij’.

Deze zin vol poëzie staat in het monumentale boek Saga’s van de Westfjorden en omstreken, drie grote verhalen uit de IJslandse literatuur, vertaald uit het Oudijslands door Marcel Otten en met een voorwoord van prof.dr. M.C. van den Toorn. Genoemde Gisli is vogelvrij verklaard door zijn zwager. Veertien jaar leeft hij als een opgejaagde man, totdat hij de dood vindt.

Deze noodlotstragedie voltrekt zich in de barre verlatenheid van het middeleeuwse IJslandse landschap, waarin mensen even ruw leven als hun omgeving. De vogelvrij verklaarde Gisli vindt overal om zich heen vijanden, die in Ottens glasheldere vertaling ‘manhaftige manschappen’ heten. Maar probeer niet, lezer, de namen van al deze manschappen uit elkaar te houden. Zoals Otten in zijn nawoord schrijft, dragen IJslanders veelvuldig dezelfde namen. Ze zijn allemaal familie van elkaar, nazaten van middeleeuwse Noorse landverhuizers die tussen 870 tot 930 het onbewoonde, vulkanische land koloniseerden. De leefomstandigheden waren hard, de mensen wreed jegens elkaar, vaak vervuld van bloedwraak en vetes. In een samenleving van onafhankelijke boeren en jagers speelt de vrouw een sterke rol. Ze heet zelfs ‘walkure van weelde’.

Net als in Ottens vertaling van de Edda (2011) tellen deze saga’s schitterende neologismen en beeldende geografische namen als Zwaan- en Speerknechtfjord, sintelbreker, zeezon en wapengezang. Op bijna elke bladzijde vind je wel zo’n juweel. Hoewel het niet altijd makkelijk is de verhaallijn vast te houden, mede door die vloed aan gelijkende namen, heeft de taal iets bedwelmends en hypnotiserends, net als het IJslandse landschap zelf.